WeRead Powered by ReaderPub
Bosch en heide cover

Bosch en heide

Chapter 6: IV. DOOR DE HEIDE.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel natuurkundige wandelingen en beschrijvingen die de flora en fauna van bossen en heidevelden systematisch observeert en toelicht. De auteur combineert veldobservaties tijdens seizoenswandelingen met uitleg over planten, mossen, vogels, amfibieën en hun levenswijzen, voortplanting en habitats. Tekstfragmenten variëren van gedetailleerde soortenbeschrijvingen tot algemene opmerkingen over landschap, bodem en menselijke invloed, aangevuld met toegankelijke anekdotes en duidelijke illustraties die kenmerken en herkenning vergemakkelijken. De opzet nodigt uit tot waarnemen en beter begrip van lokale natuur.

[Inhoud]

IV. DOOR DE HEIDE.

Laatst vroeg iemand mij, welke hei ik nu mooier vond, de Brabantsche hei, de Geldersche hei of de Drentsche hei. Ik antwoordde toen maar, meer uit malligheid, dan omdat ik ’t werkelijk meende: De Limburgsche hei en evengoed had ik de Friesche hei kunnen noemen. Niet, dat er tusschen onze Noordelijke en Zuidelijke heide geen onderscheid zou bestaan, maar mooi zijn ze allemaal. Allemaal hebben ze groote stukken, waar weinig afwisseling bestaat in plantengroei of dierenwereld en waar ’t moois vooral zit in de ruimte, het vergezicht en het plezier van eens flink te kunnen doorstappen. En evenzeer hebben ze allemaal plooien of valleien, misschien met een plas of meertje in ’t midden, waar bijzondere bloemen bloeien en waar het krioelt van aardige dieren. Soms zijn die plassen al sinds langen tijd dichtgegroeid en volgegroeid met veenmos en dan is daar een trilbodempje van hoogveen gevormd, waar je heel voorzichtig te werk moet gaan, om er niet opeens door te zakken, maar je kunt daar juist dikwijls de aardigste planten en dieren vinden.

In den voorzomer is zoo’n mossige veenmassa soms weer heelemaal overdekt met een kruipend plantje met donkergroene, glimmende, soms bruinachtige blaadjes. Daarboven zweeft als ’t ware een rozerood wolkje, dat bestaat uit duizenden rose bloempjes [62]vierpuntig en alleraardigst knikkend aan hun dunne steeltjes. Deze wondermooie veenbes (116) groeit veel meer in ons lieve Nederland dan je wel denken zoudt, maar de meeste menschen krijgen het plantje nooit te zien, omdat het natuurlijk langs de algemeen begane wegen niet voorkomt. Toch groeit ’t vlak bij Amsterdam en altijd op veenmos.

Op dezelfde plaatsen groeit ook de zonnedauw of vliegenvangertje en daarvan hebben we op onze heide drie soorten, een met ronde blaadjes en twee met langwerpige blaadjes. Vroeger heb ik al eens verteld, hoe de insecten blijven vastkleven aan de vangharen van die blaadjes, hoe die dan omkrullen, zoodat ze het diertje geheel omvatten en hoe het dan in dat blaadje als in een maag verteerd wordt.

Nu kunt ge op onze natte heide nog een ander vleeschetend plantje vinden, maar dat ziet er heel anders uit. Het bloeit in den voorzomer met mooie violette bloempjes op vrij hooge stelen. Die bloempjes hebben werkelijk wel iets van viooltjes en daarom wordt de plant, die eigenlijk vetkruid (77) heet, in sommige streken van ons land ook wel kleefviooltje genoemd. Hij heeft prachtig heldergroene bladeren, die vlak op den grond een rozet vormen en als ge er even met de vinger aanraakt, dan merkt ge al dadelijk, dat ze bijzonder kleverig zijn. Als daar nu kleine insecten aan blijven vastkleven, dan gaan de randen van de bladeren een weinig omkrullen, zonder echter de insecten geheel en al te bedekken. Tegelijk wordt een verterend vocht afgescheiden, dat heel veel lijkt op maagzuur en na een paar dagen is er dan van ’t insect niet anders overgebleven dan een leeg huidje. Zoodoende kan deze plant welig tieren op een bodem, die zelf maar weinig voedsel bevat.

Op sommige natte heideplekken kun je al de vleeschetende planten van Nederland bij elkander vinden nl. zonnedauw, vetkruid en blaasjeskruid. Dit laatste hebben we ook al in ’t Naardermeer gevonden, de soort die in heipoelen het meest voorkomt heeft kleine gele bloempjes, die een centimeter of vier boven ’t water schijnen te zweven en in ’t water zelf zitten aan lange stengels de kleine blaasjes, waarin de diertjes worden gevangen.

Rondom sommige heipoelen vinden we soms een breede krans van het moerashertshooi. (39) Dit plantje groeit nog liever in het water dan langs den oever. Soms komt het water zoo hoog, dat de plant bijna geheel bedolven wordt, maar dat hindert hem [63]niet erg, want zijn bladeren zijn bezet met lange haren en die houden luchtbellen genoeg vast, om voor eenigen tijd de ademhaling nog aan den gang te houden. De grijsgroene plantjes lijken dan door die luchtbelletjes heelemaal verzilverd. En ’t mooiste is nu nog, dat de bloempjes zelf goudgeel zijn. Die komen in trosjes boven ’t water uit en zijn ook weer met kleine spikkeltjes versierd, waardoor zoo’n hertshooi-oevertje dan een van de aardigste dingen wordt, die je op de heide kunt ontmoeten. Misschien vindt ge vlak er bij op vochtige plekken nog een andere mooie hertshooi-soort; het kruipend hertshooi, (60) ook met gele bloempjes. Daar kunt ge ook zoeken naar de aardige Scheuchzeria (73) en in ’t ondiepe water naar bleekblauw bloeiende Lobelia’s (115).

We spreken meestal van de bruine hei of ook wel van de paarse hei, maar menigmaal zou het veel toepasselijker zijn om van de gele hei te spreken. Heele vlakten zijn soms bedekt met de groote gaspeldoorn, die reeds in Januari zijn gele bloempjes vertoont tusschen de scherpe recht groene dorens. In Mei bloeit de gele bezembrem (132) met zijn groote vlinderbloemen, die zoo aardig doen, als er voor ’t eerst een hommel op komt zitten. Wanneer die zich op de zoogenaamde zwaarden neerzet, dan komen opeens de meeldraden en de stijl uit de kiel omhoogveeren en de ruige sinjeur krijgt daarvan dan zoo’n klap op zijn rug, dat hij meestal boosaardig brommend er van door gaat met zijn rug vol stuifmeel en wat er dan verder gebeurt kan iedereen gemakkelijk begrijpen.

Na de bezembrem gaan andere bremsoorten bloeien en de tormentil en eindelijk ook een prachtig lelieachtig bloempje, dat zich alleen op natte plekken vertoont; het cipelgras. (75) Dat plantje heeft heel aardige groene blaadjes, die wel lijken op die van de lisch, maar dan in ’t klein. Daaruit komt een loodrechte stevige stengel te voorschijn en die draagt aan zijn top een tros van gele, tamelijk groote bloempjes. De zes meeldraden van die bloempjes zijn allersierlijkst behaard. De heele plant is trouwens zeer mooi, wat niet belet heeft, dat hij nog al in een kwaden reuk staat bij ’t landvolk. Die vertellen wel, dat de paarden en koeien zwakke beenderen zouden krijgen, als ze van dat cipelgras eten. Ik geloof daar niets van, bovendien is er maar weinig kans, dat er tegenwoordig vee zou komen op de plaatsen, waar ’t cipelgras groeit.

Nog een gele bloem van de vochtige heide is de wolverlei (46) of arnica met bloempjes als kleine zonnebloemen. Tegenwoordig wordt die plant wel valkruid genoemd, maar ik spreek toch maar liever van arnica, dat is ook meteen de naam van het geneesmiddel, [64]dat uit deze plant wordt getrokken en dat van oudsher wordt aanbevolen voor het helen van wonden of kneuzingen. De gidsen in Zwitserland vertellen je ook, dat wrijvingen en wasschingen met arnica-tinctuur zeer heilzaam zijn voor het in goeden staat houden van de spieren en gewrichten van voeten en beenen. In elk geval is het een heel mooie plant.

Van de blauwe heidebloemen is de blauwe klokjesgentiaan (127) wel de voornaamste. Die groeit ook alweer ’t liefst in de natte stukken en ik vind de plant dan ook meestal in gezelschap met ’t cipelgras. Aan de buitenzij zijn de bloemen grijsachtig blauw, maar de binnenkant is prachtig mooi. Die komt alleen te zien in den warmen zonneschijn. Dan gaat de bloem zich letterlijk ontplooien, want in de knopligging is de kroon in elkaar gedraaid met een paar scherpe vouwen. Gaat nu ’t zonnetje branden, dan ontschroeft zich de bloem, de kroonslippen krommen zich buitenwaarts en nu kunnen de hommels de mooie donkerblauwe trechter zien, waarbinnen de lekkere honig is te krijgen. De dikke harige dieren komen neerzoemen uit de lucht. Het blauw van die gentianen is een kleur, waar ze onweerstaanbaar door worden aangetrokken, of een, die ze zeer gemakkelijk herkennen. Het blauw van de bekende heideklokjes, die dunne papierachtige bloempjes, heeft lang niet dezelfde betoovering voor hen.

Maar hoe aardig de gele bloemen en de blauwe bloemen van de hei ook zijn, de echte heidebloemen zijn toch altijd ’t voornaamste: de dophei, die zijn rose tonnetjes al begint te vertoonen in het einde van Mei en de struikheide, die zijn bloeitijd heeft van midden Augustus tot midden September tegelijk met de hardkelk. (94)

De struikhei (131) kan nog op zeer dorre heidegronden groeien en schiet dan niet hooger op dan een paar decimeter, terwijl hij op minder armen grond wel een meter hoog kan worden en als hij dan goed bezet is met de aardige rozeroode bloempjes, dan valt daar wat te beleven.

De bloem zelf is eigenlijk heel vreemd gebouwd; de vliezige, droge kelkslippen en kroonslippen zien er al heel anders uit dan we van andere bloemen gewoon zijn en wanneer we in een wijd geopende bloem kijken, dan krijgen we daar een stel van stangen te zien waar we eerst niet goed wijs uit kunnen worden. Wanneer we echter eenmaal weten, dat er acht meeldraden zijn en dat elke helmknop twee lange uitsteeksels heeft, dan raken we er beter in thuis. Middenin is een stamper te zien, [67]waarvan de stijl meestal buiten de bloem uitsteekt. Op den bodem van de bloem glinstert de honig, die is voor de meeste insecten gemakkelijk te bereiken. [65]

85

PHOLIOTA.

86

HONIGZWAM.

87

BUNDELZWAM.

88

PAARSE RUSSULA.

89

GEWEIZWAM.

90

GIFTIGE RUSSULA.

[66]

91

RAPUNZELKLOKJE.

92

SLEEDOORN.

93

ANDROMEDA.

94

HARDKELK.

95

GELE MONNIKSKAP.

96

STEVENSKRUID.

[67]

Er komen er dan ook genoeg op af en wel ’t meest de gewone honigbijen. De ijmkers brengen in Augustus hun korven naar de hei, honderden korven en in elke korf huizen dertigduizend tot veertigduizend bijen. Al die millioenen werkstertjes zijn nu den heelen dag op de heibloem bezig.

Ik fietste eens door de hei tusschen Meyel en Asten, een lange boomlooze weg met een enkel huisje op een traject van vijftien kilometer. Aan weerszijden strekte zich de hei uit, zoover je zien kon, alleen aan de horizon blauwden de bosschen en daar keek dan ook een torenspits juist over ’t randje. Wel, van afstand tot afstand kletterden telkens wat bijen in mijn gezicht; ze waren gelukkig te druk bezig, om er aan te denken mij een por te geven. Toen dat een paar keer gebeurd was keek ik eens beter uit en toen zag ik, dat hier en daar in de hei achter plaggenwalletjes de bijenstallen stonden. Die bijen gaan van hun korf langs vaste wegen naar hun arbeidsveld en nu trof het dien dag, dat de bijenwegen van afstand tot afstand den grintweg kruisten. Toen ik er eenmaal opmerkzaam op was geworden kon ik al een meter of dertig vooruit den stroom van vlijtige werksters over den weg zien gaan.

Maar ’t zijn lang niet alleen honigbijen, die op de heide werken, daar komen behalve de hommels nog allerlei wilde bijtjes bij, groote en kleine, van allerlei soort. Die maken elk een afzonderlijk nest, meestal in een gangetje, dat ze in den grond graven. Eén is er die bekleedt zijn gangetje met een zijdeachtig weefsel en wordt daarom heel passend het zijdebijtje genoemd. Een andere bekleedt heel behendig zijn cellen met uitknipsels uit bladeren, dat is het behangersbijtje. (19) Je kunt het soms treffen, dat je in de hei een steile kant vol vindt met gaatjes, sommige met een middellijn van twee millimeter andere wel vijf- of zesmaal zoo groot. Al die gaatjes zijn openingen van gangen van graafwespen of graafbijen.

Als je in den vacantietijd eens zoo’n graafbij-hellinkje hebt gevonden, dan kun je even goed daar een paar uren gaan uitrusten als ergens anders en dan heb je kans, om allerlei leuke dingen te zien. Zoo heb ik het wel bijgewoond, dat een behangersbijtje zijn nest begon te graven en toen ben ik een week lang elken dag een uurtje of nog langer gaan kijken, wat hij alzoo in zijn schild voerde. Het begin was, dat [68]hij met zijn breede bovenkaken het mos wegbeet, dat den grond daar met een dun groen laagje bedekte. En toen ging hij aan ’t graven met kaken en voorpooten. Met zijn middenpooten schoof hij ’t losgewoelde zand onder zich door en hij bracht het een heel eind buiten ’t nest. Toen hij eenmaal zoover was, dat hij heelemaal in den grond verdween schoof hij telkens den zandprop achterwaarts naar buiten, zoover totdat de prop naar beide zijden verloopen was en dan rende hij meteen weer naar binnen alsof hij aan een koordje werd weggetrokken. ’t Was alleraardigst, om dat kleine dier zoo fel aan ’t werk te zien. Ze spreken wel van vlijtige mieren, maar ik verzeker u, dat die graafbijen en graafwespen op zijn minst even vlijtig zijn.

Toen nu de gang diep genoeg naar zijn zin was, zoowat twee decimeter, begon hij aan het bouwen van de eerste cel, en ook dat kon ik hem van a tot z zien doen. Ik had daar namelijk in de buurt een prachtige rozestruik opgemerkt, een echt roosje van de heide, ofschoon lang zoo stekelig en doornig niet als die uit ’t bekende liedje. Het was een zoogenaamde kaneelroos (10) en nu had ik gezien, dat veel van de groene blaadjes beschadigd waren door elliptische of cirkelronde uitknipsels. Dat doet niemand anders dan het behangersbijtje en ik behoefde dan ook maar even bij de struik te staan, om mijn werkman te zien aankomen. Hij plofte op de rozenstruik neer, greep zich vast aan een blaadje en knipte nu met zijn bovenkaken verbazend precies een ellipsvormig stuk uit ’t blad, eenmaal links knippend en eenmaal rechts telkens tot op de helft. Bij de tweeden knip rolde hij meteen ’t stuk op tusschen zijn pooten en vloog toen weg. Hij was gemakkelijk te volgen, want door dat heldergroene rolletje behangsel, leek hij tweemaal zoo groot en zesmaal zoo duidelijk. Vlug sloop hij met zijn vrachtje het nest in en na twee en een halve minuut kwam hij weer te voorschijn, om weer regelrecht naar de kaneelroos te vliegen en een nieuw stuk te halen. Dat ging zoo zesmaal achtereen en toen kwam hij niet meer met bladstukken thuis. Ook bleef hij veel langer uit. Er was een nieuw bedrijf begonnen. Hij was nu bezig de cel te vullen met honig en stuifmeel. De gewone honigbijen brengen hun stuifmeel naar de korf aan hun achterpooten, daar zit het in dikke kluitjes aan geplakt. Ons behangertje echter doet anders. Die heeft veel lange, schroefvormige haren aan de onderzijde van het achterlijf en als hij nu een bloem bezoekt, dan weet hij het zoo in te richten, dat het stuifmeel daar blijft kleven. Het zal hem nog al wat moeite kosten, om het in de cel er weer uit te schuieren. [69]

Als er nu genoeg honig en stuifmeel in die cel is, dan gaat ’t behangertje weer naar zijn rozestruik om een sluitstuk voor de cel te halen. Dit knipt hij nu cirkelrond, hij heeft er voor elke cel twee of drie noodig. Nu begint hij onmiddellijk bovenop de eerste cel een tweede aan te leggen en dat gaat zoo voort, totdat met een tiental of een dozijn de geheele gang is opgevuld, op ’t allerlaatste stuk na, dat opgevuld wordt met zand. Nu bevat iedere cel precies genoeg honig en stuifmeel voor de ontwikkeling van de larve, die uit het eitje komt. In korten tijd is die volwassen, gaat daar verpoppen en het volgend jaar komt de heele familie uit den grond kruipen, om ook weer het edele behangersvak te gaan beoefenen.

Zoo zit de heele heidegrond vol met allerlei rare klanten. Er zijn er die hun nest bekleeden alleen met de roode bloemblaadjes van de papaver, andere zooals de kaarderbij (24) nemen de wollige haren die ze van de bladeren van de toorts schrapen, nog weer andere nemen hars. De meeste verzamelen voor hun larven honig en stuifmeel, maar er zijn er ook, die zulk voedsel voor hun kindertjes te laf vinden en ze dus liever groot brengen op vleeschvoedsel.

De meest beruchte onder die klanten is wel de bonte bijenwolf. (68) In zijn zwart met geel pakje ziet hij er uit als een wesp en hij behoort dan ook tot de familie der graafwespen. Hij vliegt over de heide en gaat zitten tusschen de heidebloesem, maar hij komt daar noch om de honig, noch om het stuifmeel, noch om de geur. Maar als een nijver bijtje zich letterlijk in een bloempje verdiept, dan springt hij daarop af, grijpt het ongelukkig dier en nog voordat deze van zijn angel gebruik kan maken steekt hij hem dood. Daarna gebeurt er iets heel merkwaardigs. De honigbijen dragen hun honig in de zoogenaamde honigmaag, een vliezige zak, die gelegen is aan ’t begin van ’t achterlijf. Wel, die bonte bijenwolf weet dat op een prik en hij bijt nu het bijtje op die plek open en slurpt gretig de heele honigmaag leeg. Nu neemt hij het doode verminkte bijtje tusschen zijn pooten en vliegt er mee naar zijn hol, een bijzonder diepe gang in het zand, waar nu zijn eigen larven met dat restantje worden grootgebracht. Als er veel van die bijenwolven zijn, dan worden ze voor de bijenteelt zeer schadelijk en ik heb wel eens hooren vertellen, dat de bijen zelf er dan erg in krijgen en niet naar buiten durven uit vrees voor die vinnige dieren. Ze hebben toch al vijanden genoeg, er vliegt ook een groote roofvlieg (69) rond, die allerlei insecten vangt [70]en zoo brutaal is, dat hij ook de sterke en goed gewapende honigbijen aandurft.

Nu heb ik ook alweer eens gezien, dat zoo’n groote roofvlieg weer gevangen en gedood werd door een andere graafwesp, mijn goede vriend, de harkwesp. (67) Dat is een van onze grootste wespen, groengeel met zwart, een geel aangezicht met een langen duidelijken snavel en aan zijn voorpooten heeft hij groote stijve evenwijdige haren zitten, die met elkaar echte harken vormen.

Hij vertoont zich het liefst op echte rulle zandplekken en zoo rul en droog als ’t zand is, slaagt hij er toch in, om er zijn gangen te graven. Natuurlijk wordt in dieper lagen het zand al gauw een beetje vochtig, zoodat de gang niet instort, maar ’t begin dat valt altijd in elkaar.

Dat wil de wesp echter graag hebben, hij houdt ervan, dat de deur dicht is en als hij de woning verlaat, dan harkt hij ook nog eens heel zorgvuldig al het verspreide zand over de opening, zoodat daarvan geen spoor meer aanwezig is. Eerst echter heeft hij de voorzorg genomen, om zich de ligging van zijn tehuis goed in te prenten. Nu vliegt hij weg naar een plek, waar veel kans is, om vliegen te zien, naar de bloemschermen van bereklauw of engelwortel of naar bladeren, die ferm door ’t zonnetje worden beschenen, want de vliegen houden ervan, om zich daar te koesteren. Het kost hem geen moeite, om een dikke zweefvlieg te vangen, die pakt hij dan tusschen zijn achterpooten en zoo vliegt hij terug naar zijn nest.

Meestal ploft hij vlak op de opening neer en in een ommezien heeft hij dan met zijn groote harken de deur open. Vlug sluipt hij naar binnen, want daar bij den ingang dreigt hem een groot gevaar. Er zijn namelijk kleine vliegjes, sluipvliegjes, die er altijd op loeren, of ze gelegenheid kunnen vinden, om hun eieren te leggen op de prooi van de harkwesp. Lukt dat, dan komt er van de larve van de harkwesp zelve weinig te recht, want de sluipvlieglarven eten hem om zoo te zeggen de kaas van het brood met brood en al.

De harkwesp is dan ook zeer bang voor die sluipvliegjes, ofschoon hij ze eigenlijk kan maken en breken. Wanneer hij ze bij den ingang van zijn nest aantreft, dan heft hij een akelig gehuil aan en tracht hen te ontkomen door in allerlei richtingen rond te vliegen. Maar ze blijven precies achter hem en als hij in zijn angst eens heel ver weg vliegt, dan gaan ze doodbedaard bij den ingang van het nest zitten, want daar [73]moet hij ten slotte toch weer terecht komen. Een massa harkwesplarven gaan door die sluipvliegjes te gronde. [71]

97

GROOTE IJSVOGELVLINDER.

98

WEERSCHIJNVLINDER.

99

KASTANJEVLINDER.

100

EEKHOORNVLINDER.

101

GLASVLEUGELPIJLSTAART.

102

PRACHTKEVER.

[72]

103

BANDBOK.

104

NEUSHOORNKEVER.

105

DENNENSNUITTOR.

106

POPPENROOVER.

107

REUZENHAAN.

108

DRIEHOORNKEVER.

[73]

Zoo heeft iedere graafbij en iedere graafwesp zijn eigen levensgeschiedenis, de een al aardiger dan de andere en van de meeste weten wij nog lang niet al het fijne af. Er zijn ook metselwespen, (22) die maken hun nest niet in den grond, maar metselen van klei hun woningen in beschutte hoekjes en er is er zelfs een, die een bolvormig nestje van leem maakt en dat ophangt aan de stengels van het heidekruid. Dit is al een heel mooi dier en dadelijk te kennen aan zijn slanke gestalte, veel slanker dan de echte wespen, die er zoo beroemd om zijn. Niet alle gaten zijn door wespen of bijen bewoond. In sommige vindt ge krekels of ook wel zandloopkeverlarven, andere worden gedolven door mestkevers en de beroemdste daarvan is de driehoorn, (108) die werkt in ’t voorjaar en in de nazomer.

Er leven op de hei ook een menigte rupsen. Het meest in ’t oog vallen wel de groote ruige spinners, (71) die ge in ’t voorjaar onrustig ziet rondkruipen. Ze hebben als rupsen overwinterd. Sommige zitten zoo maar in weer en wind, vorst, sneeuw en hagelslag geduldig tegen een takje geplakt, om zich pas in de warme voorjaarsdagen te gaan verpoppen. In Mei of Juni komt dan de vlinder te voorschijn, een mooi diklijvig bruin dier, dat alweer gauw op de stengels van heidekruid, gras, bramen of andere heesters zijn eierhoopjes afzet. Daaruit komen dan donkere rupsen, die in de geledingen helder oranje zijn en die ge in den nazomer op allerlei planten kunt vinden. Vandaar de naam van veelvraat.

Er zijn anders nog wel rupsen genoeg, die velerlei planten lusten. Precies op dezelfde planten als de veelvraat vindt ge wel een groene rups, versierd met geel- of roodachtige wratten, een heel mooi dier, en als ge hem groot brengt dan krijgt ge eerst een allervreemdst gevormde cocon te zien, een fleschvormige cocon met een soort van fuikachtige klepdeur en daar uit komt te zijner tijd een van onze allermooiste vlinders te voorschijn, de nachtpauwoog, (70) die evenals de dagpauwoog vier oogvlekken op zijn vleugels heeft, maar heel anders van kleur en vorm is. Soms krijg je die nachtpauwoogen nog al veel te zien, in andere jaren zijn ze heel zeldzaam.

Temidden van al dat gekrioel van insecten beweegt zich de heikikker (36) en het bruine heihagedisje (34). Die weet ook de plekjes te vinden, waar de vliegen [74]zitten te zonnen en de hellingen, waar de graafwespen werken. Nu eens snel voortschietend, dan zeer langzaam kruipend, nadert hij zijn prooi en met een laatsten vluggen sprong weet hij die te bemachtigen. ’t Is verwonderlijk, hoe vlug en wijd hij dan zijn breede bek kan openen en weer dichtslaan. In de voorzomer heb je nog al eens kans een heel kluitje van deze hagedisjes bijeen te vinden, niet langer dan een paar centimeter. Dat zijn de jongen, die eerst een dag of zes bij elkander blijven, voordat ze voor eigen rekening de wijde wereld ingaan.

En nu hebben we bij al dat gescharrel in hei en bosch, ook nog wel eens kans om kennis te maken met de vergiftige adder. (66) De kans is echter niet groot. In vele jaren, dat ik op de Brabantsche, Geldersche, Limburgsche en Drentsche heide gezworven en gezocht heb, ontmoette ik in ’t geheel niet meer dan een dozijn adders, groot en klein en gelukkig nooit zoo, dat er eenig gevaar aan verbonden was. De meeste zag ik net op ’t oogenblik, dat ze op de vlucht gingen en een paar trof ik slapend aan, dat wil zeggen, die adders sliepen. In de meeste van onze heidestreken is de adder zeldzaam of zelfs geheel onbekend. Sommige streken zooals het Ulvenhoutsche bosch en de Drentsche hei bij Emmen hebben de naam van zeer rijk aan adders te zijn, maar ik geloof, dat ’t nog al zou meevallen. Bovendien is de adder een nachtdier en erg schuw, zoodat ge eigenlijk alleen gevaar loopt van door een adder gebeten te worden, wanneer ge bij uw onderzoekingen toevallig en onverwacht en ruw met het dier in aanraking komt. Wie extra voorzichtig wil wezen moet op adderachtige plaatsen dus nooit de hand uitsteken naar dingen die hij niet zien kan. Er komen in ons land drie soorten van slangen voor: de ringslang, die twee gele vlekken aan zijn nek heeft, de gladde slang en de adder. Nu zijn de beide laatste ook nog wel van elkander te onderscheiden, want de adder heeft over zijn rug een zwarte zigzagstreep en op zijn platte kop een zwarte vlek in den vorm van een V, wat vooral bij ’t mannetje heel goed te zien is. Bovendien is dat altijd blauwgrijs van kleur en niet bruin. De wijfjes adder lijkt wat meer op de bruine slang en daarom is ’t altijd geraden, met bruine slangen voorzichtig te zijn, daar men om ’t voornaamste onderscheidingskenmerk: de giftanden en de gekielde schubben waar te nemen, al heel bedenkelijk dichtbij de beesten moet zijn.

Een adderbeet is wanneer tijdige hulp wordt verstrekt zelden doodelijk, dikwijls [75]toch gevaarlijk en altijd onaangenaam. In den achtsten jaargang van het Tijdschrift de Levende Natuur hebben wij navraag gedaan naar het voorkomen van de adder in ons land en naar doodelijke of ernstige gevallen van adderbeet. Uit de vele antwoorden, die op die vraag zijn ingekomen, schrijf ik er hier eenige af, beide van doctoren.

1. „Een kind, in ’t bosch van Doorwerth, in de buurt van de bank van Rolandseck boschbessen zoekend, was gebeten door een slang in den voet bij den enkel, een klein wondje met een blauwen ring, de voet onder het verhaal steeds zwellende. Met mijn zakmes heb ik de wond vergroot en met mijn zakdoek onder de knie het been afgebonden, daarna het kind, dat naar huis moest en moeilijk begon te loopen op den rug genomen en thuis gebracht. De ouders waren zeer kalm onder het geval, deden uit een flesch met olie waarin een adder lag iets op de wonde en zeiden, dat het geval niets beduidde. Ik had ’t kind bij ’t snijden noodeloos pijn gedaan, zeiden ze. Toen echter ’t been steeds meer begon te zwellen, werd opnieuw olie aangewend en ’t kind brandewijn gegeven. Later is, naar ik hoorde ’t been onder de knie afgezet, doch ’t kind behouden gebleven.”

2. „Wat nu de beet betreft: dikwijls, meestal verloopt de vergiftiging goedaardig. Toch is de mogelijkheid van levensgevaar niet uitgesloten. Het is daarom raadzaam, dat men, dadelijk na de beet het lid hartwaarts van het wondje stijf omsnoert (zakdoek) en zich zoo spoedig mogelijk naar een dokter haast. Deze kan dan de wond uitbranden of uitsnijden, om, al naardat hij het noodig acht, het gif te vernietigen of te verwijderen. Bij uitzuigen van de wond heeft men de kans het gif in een te voren niet opgemerkt wondje van lip of tong te brengen en dat is zelf alweer zeer gevaarlijk.”

’t Is jammer, dat de adder voor ons zoo gevaarlijk is, want op zich zelf is het een zeer merkwaardig dier en bovendien nog nuttig doordat hij zooveel veldmuizen verslindt, want daarmee voedt hij zich bij voorkeur.

Intusschen zoudt ge verkeerd doen met uit angst voor adders de bosschen of de heide te vermijden. [78]

[79]