WeRead Powered by ReaderPub
Bosch en heide cover

Bosch en heide

Chapter 8: VI. HERFST.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel natuurkundige wandelingen en beschrijvingen die de flora en fauna van bossen en heidevelden systematisch observeert en toelicht. De auteur combineert veldobservaties tijdens seizoenswandelingen met uitleg over planten, mossen, vogels, amfibieën en hun levenswijzen, voortplanting en habitats. Tekstfragmenten variëren van gedetailleerde soortenbeschrijvingen tot algemene opmerkingen over landschap, bodem en menselijke invloed, aangevuld met toegankelijke anekdotes en duidelijke illustraties die kenmerken en herkenning vergemakkelijken. De opzet nodigt uit tot waarnemen en beter begrip van lokale natuur.

[Inhoud]

VI. HERFST.

Een van onze meest bekende dichters heeft zich eens veel moeite gegeven, om op rijm te vertellen, dat hij de herfst het heerlijkste jaargetijde vindt en ik merk wel, dat een massa menschen het met hem eens zijn. Ik ben in zulke dingen nog al een stumper, in ’t verzen maken, zoowel als in het besluiten omtrent de meerdere voortreffelijkheid van ’t een of ander jaargetijde of van bepaalde dieren of planten. Het ligt natuurlijk heelemaal aan je zelf. Als je actief bent en zoowel groote hitte als felle kou met blijmoedigheid hebt leeren verdragen, dan vind je het eene jaargetijde al even mooi als het andere, vooral wanneer je wat van dieren en planten af weet, want die zijn ook het heele jaar door al even belangwekkend. Maar ik kan wel begrijpen, dat iemand, die een beetje kouwelijk is uitgevallen en bang is voor een zonnesteek en houdt van rustige, groote indrukken, zich op weeke, warme Octoberdagen heel lekker kan voelen en dat ’t hem dan een lust is, door ’t bosch te dwalen. En zelf doe ik het ook met ’t grootste plezier.

’t Is anders voor de planten en dieren in ’t geheel geen rustige tijd. In ’t bosch heerscht een geweldige drukte. Al die verkleurende bladeren zijn druk bezig, om alles wat van waarde is, te transporteeren naar het boomlichaam zelf, om zich vervolgens [94]gereed te maken, om af te vallen. Tegelijkertijd moeten de gerijpte vruchten geborgen worden en dat gaat in hoofdzaak op drieërlei manier. De eiken en beuken, de tamme kastanjes, de hazelaars en ook eigenlijk de elzen laten hun vruchten vallen, zonder meer. Die van de els komen in het water terecht en drijven her en der, totdat ze eindelijk in een modderig hoekje tot rust komen. De eikels en beukenootjes, hazelnoten en kastanjes zouden als er verder niets gebeurde, rustig blijven liggen en bedolven worden onder de bladeren en dan zouden daar ter plaatse in ’t volgend voorjaar duizenden jonge eikjes en beukjes elkander verdringen en verstikken, zoodat er geen een tot ontwikkeling kan komen.

Gelukkig echter, dat er vogels zijn. Als ’t een goed eiken- en beukenjaar is, dan kunt ge ze bij duizenden en duizenden bezig zien: vinken, keepen, meezen, boomklevers, kraaien, duiven, gaaien. Ze proppen zich vol met voedsel en als ze verzadigd zijn, dan nemen sommige nog zooveel ze kunnen van den voorraad mee, om verborgen voorraadschuren aan te leggen. Het zijn vooral de gaaien, (28) boomklevers en de kleine zwarte meesjes, die zich in dit opzicht verdienstelijk maken.

Ze raken zoo onder den indruk van den overvloed, dat ze van den vroegen morgen tot den laten avond oogsten en verbergen. Ze verstoppen wel honderdmaal zooveel, als ze noodig hebben en ik betwijfel ten allerzeerste, of ze met hun kleine vogelhersenen wel behoorlijk kunnen onthouden, waar ze alzoo hun voorraden hebben weggestopt. Zeker is het, dat, wanneer ik in April over de heide of door de duinen wandel, ik jonge eikjes en beukjes zie opkomen honderden meters ver van de meest nabijzijnde bosschen, waar die boomen groeien.

Ook de dennenappels en sparappels maken nu de begeerlijkheid der dieren gaande. De regel is, dat deze boomen zich uitzaaien op heldere droge voorjaarsdagen. Dan barsten de appels open en de gevleugelde zaadjes worden door den wind weggevoerd. De zilversparren laten hun kegels reeds in ’t najaar uit elkander vallen. Hun zaden hebben geen groote vleugels en zijn nog al tamelijk zwaar, dus vallen, zooals ’t spreekwoord zegt, niet ver van den stam, wat niet in hun voordeel is. Maar hier helpen de kleine zwarte meesjes, want die houden van die zaden buitengewoon veel. [95]

133

SCHAAPSKOOI.

134

IN DE DRENTSCHE VENEN.

135

VELUWEZOOM, WINTERAVOND.

136

BOSCHRAND IN WINTER.

137

BRABANTSCHE HEI.

138

BOSCHWEG IN DEN HERFST.

[96]

139

ESMEER IN DRENTE.

140

ESMEER IN DRENTE.

141

SCHAAPSKOOI OP DE VELUWE.

142

BESNEEUWDE BOSCHWEG.

143

VIJVER IN ’T BOSCH.

144

DRENTSCHE BOERENHOEVE.

[94]

Er zijn echter voor alle coniferenzaden nog liefhebbers genoeg. Vooreerst de eekhoorns. (62) Wat kan hij er handig mee terecht! Nu heeft wellicht ook geen enkel [97]ander dier zulke scherpe snijtandjes tot zijn beschikking. Als ge wel eens geprobeerd hebt, om een sparappel uit elkaar te peuteren, dan hebt ge wel gemerkt hoe verbazend taai die schubben zijn. Toch bijt de eekhoorn ze glad af, zoodat alleen de kale spil overblijft. De zaadjes peuzelt hij lekker op. De eindschubben, waartusschen geen zaadjes zitten laat hij ongedeerd en zoo zien dan die door een eekhoorn vervreten sparappels er uit als een houtig roosje op een rechte steel.

De bonte spechten (30) en de boomklever richten het anders in, die kunnen niet beitelen doch alleen pluizen. Ze nemen dus hun sparappel of dennekegel mee, zetten hem goed vast in een schorsspleet en gaan dan maar hameren en trekken, totdat ze zoo goed en kwaad als ’t gaat wel de zaden eruit peuteren.

Vooral die boomklever is dan alleraardigst, ook als hij probeert een hazelnoot stuk te breken. Hij kan met zijn kop alleen niet genoeg kracht zetten, daarom hamert hij met zijn heele lichaam. Een specht houdt zijn lichaam tamelijk stil en hamert alleen met den kop, de boomklever echter draait in zijn heupgewricht heelemaal achterover en valt dan met een vaartje op die hazelnoot aan en dat gaat nog zoo gauw, dat ge haast niet ’t oog erop kunt houden.

De specht heeft ’t nu goed, want de boomen leveren hem niet alleen vruchten en zaden, maar zitten ook vol met insecten in allerlei toestanden tusschen het korstmos op de takken of in en onder de schors en hij weet alles te vinden met groote kennis van zaken.

De spreeuwen, de kraaien en de lijsters trekken zich in ’t bijzonder het lot van de besheesters aan en menig struikje dat in den avond prijkte met mooie oranje, roode of blauwe bessen, is ’s morgens, als daar een troep trekvogels langs is getrokken, heelemaal van zijn sieraad beroofd.

In beschutte hoekjes van ’t bosch zijn nog allerlei bloemen te vinden, bloemen, die zich als ’t ware vergissen en den zomerrust voor een winterrust hebben gehouden. Toortsen, kamperfoelie, bitterzoet, zwarte nachtschade, ooievaarsbek bloeien nu voor de tweede maal en houden het nu wel weer uit, totdat het strenge winterweekje komt, dat tegenwoordig meestal op zich schijnt te laten wachten tot midden Februari.

De anderen, die zich niet hebben laten hebben laten foppen, doen al evenals de [98]boomen en heesters hun bestaan voor ’t volgend jaar weer wat meer gebied in beslag te nemen. Elke plant is eigenlijk een echte wereldveroveraar.

Het stofzaad, dat in Juni zoo nederig gebogen te voorschijn kwam, alsof het haast te bescheiden was, om een plaatsje te vragen te midden van al de zomerpraal, staat nu koud rechtop, stijf en strak en als ’t eventjes waait, dan strooit het zijn stoffijne zaden uit, die overal in ’t bosch zullen kunnen ontkiemen, waar ze maar rekenen kunnen op den steun van de gedienstige paddestoelen.

O, die paddestoelen. In de Jaargetijden-albums hebben wij er al velen afgebeeld, maar er moet nog een dozijntje bij en daarmee is de voorraad nog lang niet uitgeput. Al die mooie gele en gouden broodzwammen, (114 en 111) biefstukzwammen, (113) bundelzwammen, (87) vogelnestenzwammetjes, (109) koraalzwammen, (110) russula’s, (88 en 90) pholiota’s, (85) honigzwammen, (86) gaatjeszwammen (112) en de rare geweizwammetjes (89) vervroolijken het bosch gedurende het grootste deel van ’t jaar, want ik vind ze van Juni tot Februari en in Maart weer opnieuw. Alleen bij zeer strenge vorst gaan ze verschrompelen en te niet.

De mossen verschrompelen ook als ’t vriest, maar zoodra de dooi invalt ontplooien ze zich en ze groeien voort alsof er niets gebeurd was. Ja, ze zijn in den wintertijd op zijn levendigst, want ze maken nu hun nieuwe sporendoosjes van velerlei vorm en kleur en die trekken uw aandacht wellicht nog eerder dan de sneeuwklokjes.

De varens gedragen zich verschillend. De muurvarentjes en de gewone eikvaren blijven den heelen winter door in leven en gedragen zich net als het mos. Als ’t vriest zou je denken, dat ze nu voor goed bedorven zijn, maar nog voor je eigenlijk weet, dat ’t dooit, staan ze weer frisch en fleurig.

De mannetjesvarens, de adelaarsvarens en de koningsvarens evenwel gaan in ’t najaar verdorren en verbleeken. Ze worden mooi bleekgeel of roestrood en waar ze in ’t bosch dicht open groeien, vormen de ineengestrengelde dorre varenveeren, doorgroeid met bontbladige braamtakken, de mooiste en warmste schuilplaatsen en slaapplaatsen voor de gevleugelde wintergasten. Ik heb wel eens een dozijn bonte kraaien op een rauwen Januari-avond in zoo’n slaapgelegenheid zien wegsluipen. Wel te rusten! [99]