[1] Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood van haren vader, Bisschop van Londen.
Vrees niet.
vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?
Denk onzer minne geweldig vermoogen
waar zooveel onrust en euvel voor week—
En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min
ons sluit met haar getrouwe vleuglen in.
bleef je mij ooveral eeuwig nabij,
dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen—
waarom dan ben je nu angstig om mij?
Vergeet je den veel liever Minnaar dan
die nooit en nergens ons verlaten kan?
Op de heuvelen.
en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,
ik zag der wolken blindende verschijning,
in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,
van een azuuren hoogbewoogen zee,
't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,
tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.
gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,—
en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,
de kleine huisjes waar de menschen zijn.
d at mij beving met nameloos ontzag,
'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,
zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.
als 't kind het eerste woord uit moeders mond,
terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen
hel-stralend booven purpren horizont.
en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht
van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken
in majestatisch kalme heemel-vlucht.
en mijn geluk met een zóó diep verschiet—
'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig
en een zoo onomfloerst genieten niet.
de hart-verlangens van mijn jongen tijd,
mij eenmaal 't dierst?—wat macht'ger drang verhief den
geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?
met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,
hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,
maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.
de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,
onweetend waar zij weer tot rust verwijlen
wat nu haar voorig heil vervangen zal.
en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,
zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren
dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.
als fijn blank schuim met glans van parelmoer,
betrekken met hun raadselvolle kolkjes
in stillen wenk den blauwen heemelvloer,
drong éven door, met de echo van een woord.
Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,
niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.
Het Gebergte.
sombre wolkvormen booven 't glanzig meer;
die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,
stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.
Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak
en de seréniteit der wouden brak!
der aarde schoonste en heiligste gedicht,
in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,
was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,
dat onontraadseld, onverstaan, onttoog
het woord der bergen aan mijn dorstend oog.
in heevige aandacht, 't spel der harmonieën
van wit en grauw, bekleed door draperieën
van zonbeglansde wolkenvacht, bezag,
't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,
en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,
onder des heemels zacht verbleekend blauw.
Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw
of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.
Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan
de stem der zee, die zóó ontroeren kan;
en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,
dat ik onmachtig in beklemming draag
't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.
En dat bij 't glanslied van uw majesteit
mijn hart verwelkt en om verzachting schreit.
wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,
maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,
die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.
En er ontstond een weemoed, die niet zweemt
naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.
waar, opziend tot den blauwen ether, staan
kelken van dieper-blauwe gentiaan,
waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden
door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,
dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.
van licht en stilte,—booven 't sneeuwwit ronden
zich donkerblauw des heemels diepste gronden,
en alles laaft zich aan het gouden licht,
tot van het schamel gras de teerste sprieten,
in roerloos, onverzadelijk genieten.
en onderging de gloorie deezer wondren,
ik hoorde huivrend de lawinen dondren
in grim'gen afgrond,—en verwon den huiver,
tot 'k immermeer verlangend werd te kennen
en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.
de berg-storm los, als een verwoede hond,
zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,—
en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.
Als bij het toornen van een reus, getergd,
fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.
door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,
omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.—
En ik had niet begreepen,—niet geweend,—
mat waren al mijn vragen, al mijn beeden
't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.
al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,
smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,
met al wat m' in verwondering doet vragen
wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,
waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,—
met al den twijfel, dien geen reede sust,
met al de vragen, die in doffe rust
't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,
keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,
en trad met 't oud geduld de doodsche baan.
van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,
waarin het hart moet wenschen wat het ducht,
en van 't geduchtste de bespoediging......
Totdat een nijpend lieve melodie
de vale neevelwade scheurde.... en zie!—
en mij een sprank geschonken van zijn krachten,
zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten
dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.
'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden
en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.
voor teerder zangen mijn gestrenge mond?
Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond
waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,
hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde
den weeken harte-boodem dieper kliefde?
waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen
oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen
met woud en wingert, rossig in den brand
van warme zon,—waar blijde menschen gaan,
waar stil en slank de popelreyen staan,
waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,
als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,
en Zondags dankt in onverstane psalmen,—
waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet
als heerlijke oogenlust in ver verschiet,
waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,
maar rust gevonde⁀in liedren en gebeeden
en schoone Zaligheid in alle leed....
Vergleeden leeven! droefheid zonder naam
perst mij, als ik U zie, de lippen saam.
in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend
van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend
de pracht der bonte vizioenen prijst.—
O bittre glimlach om gewaande prachten!
O Vuurhel der verwoestende gedachten!
in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,
en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind
verrukt het spel der vlugge vlammen looven....
Gelukkig volk der blijde landen! weet
dat al uw waarheid nog verwoesting heet.
Het kan de werking van 't bestaande wenden,
maar niet des weezens vaste kern doen enden,
of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.
Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan
door wat nóg schooner is, en blijft bestaan.
van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,
dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt
het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,
het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....
De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.
om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,
om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,
uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.
Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,
wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.
uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,
als vijand teegen vijand staat hun schoon
oover het uwe, en stormen van verbastring
zullen verdervend door uw waereld woeden—
als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.
en hoog-verheeven is, en wreeder doet
het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet
en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,
zoodat hij liefdeloos heet en verblind,
naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.
heet ontrouw onder menschen, die niet lijden
wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.
Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad
die na geduldig en hartstochtelijk dingen
één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?
in klaren dag, in statig kalme pracht,
als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,
nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen
hun stralend Heil, omgord door sombre wouden——
Gij gaaft, Gebergte!—Ik nam, en zal behouden!
Goede Werking.
wilden mijn kaarsjen uitblazen,
toen werd het in mijn hand
een machtige fakkelbrand.
Mijn Vrienden.
't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.
Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,
ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.
liggen ze zelf eens, niet heel zacht,
en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,
van die zelfgespreide bedden
in der eeuwigheid niet meer redden.
Dichter en Geleerde.
dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.
Hij spreekt met bergen, maan en zon
alsof dat alles leeven kon.
De Dood zelf lijkt hem een bedrog,
zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.
doet juist het omgekeerde.
Zijn heedendaagsche weetenschap
is wonder-slim, en wonder-knap,
want die verklaart, met wijsheid groot,
het Leeven door den Dood.
Besluit.
en de weg der menschen zoo'n harde baan,
dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt
en kommer-beladen door 't leeven te gaan.
uit een bronwel booven de tijden,
daarmee wil ik voortaan enk'len
der aandachtigsten besprenklen,
en ooveral waar ik mijn schreeden zet
een lichtdrop plengen den droeven,
maar niet in hun duisternis toeven.
INHOUD.
Bladz.
Dante en Beatrice.
Inleiding 5
I-XIV 8
XV-XXV 25
Andere Verzen.
Des Leevens Kern 39
Koele Mei-dag 41
Schat mijns Harten 42
Looverlied 44
Alles voor U 46
De Staf 49
Aan de Groote Dichters 51
Shelley's Epipsychidion 54
Stem van Génerzijds 57
Minnezang 60
In memoriam 63
Zelfschouw 67
Julius Oldach 71
De Klok 73
Vrees niet 79
Op de heuvelen 80
Het Gebergte! 83
Goede Werking 91
Mijn Vrienden 92
Dichter en Geleerde 93
Besluit 94
De Rivier.
beglanst met kooperrooden schijn
de blanke vloeden van den Rijn—
die gaan door 't volkrijk land
in bochten breed en machtig—
de stille boomen ter weerskant
staan aan den zacht-bewaasden zoom
te spieglen als in droom.
zie ik de groote pracht rondom—
zoek in der ziele kerngrond om,
't is daar al eeven prachtig.
Wat kan er zijn
nog bron van pijn?
om mijnentwil in droefheid zijt
waar komt uw smart vandaan?
Waart gij maar diep, maar diep gegaan
in allerdiepste diepten
des Zelfs, gij vondt er enkel pracht.
Ik vond er enkel liefde.
Bestaat er kwaad
ook zonder haat?
de graauwe, goud-bekruiste kerk,
een ruigt van spitsen, teer en sterk,
aan bleeken horizont.
't Schoon wat ik in mijn binnenst vond
zie 'k heerlijk voor mij staan.
voor eeuwig, machtig uitgezegd
in prachtbouw, fijn en hecht.
niet minder vast, niet minder schoon
staat in de ziel uw heil'ge woon.
Wat valt er nog te schreyen?
De Planeet.
betuurt aandachtig weeder,
strak-fonklend en teeder,
mijn stillen avond-weg—alsof zij weet—
blij-beezig, zeer verheeven,
zelf wel vol moeizaam leeven,
doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.
zóó hoog en zóó ontzachlijk!
Scheen 't àl daar-éven hachlijk,—
mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.
wie eeven klaar durft schouwen,
wiens blik niet zal verflaauwen
door 't lastig leeven dat hij lachend draagt.
draag ik een volk van zorgen,
toch vindt mij elke morgen
tot strengen gang in heldre vreugd gereed.
voor vreemd, gestaltrijk woelen?
Kent zij mijn licht bedoelen?
Eens ken ik 't hare—al is zij nóg zoo ver.
Mijn Bloemenpleegster.
die fleurig rond mij staan in elk seizoen,
ik blijf uw naam met eender wijding noemen
als toen.—
in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,
maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond nader
dan gij.—
door glans dien gij niet kent en bijna vreest,
doch hij vermooit van al ding om mij heenen
ú 't meest.—
gij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,
ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeeren
of niet.—
de schoonheid waar ons beider hart in leeft,
en wat ik u onwillig heb doen lijden,
vergeef 't!—
VAN DE PASSIE-LOOZE LEELIE.
EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM.
Den eine Lilie blühet über Berg und Thal,
an allen Enden der Erde. Wer da suchet der
findet.
Boehme.
De Aanroep.
Aan de schimmen van Beethoven en Bach.
Mijn aldernaasten—bij God mijn bemiddelaars!
wie onder de leevenden kent mijn hart?
Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.
en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.
tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.
dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.
in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.
ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"
ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid...
waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,
zachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen.
ik verwerp deeze onnut luidende woorden.
als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar.
en een geslagene door uw harmonieën.
Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!
Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.
Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt?
De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.
Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen,
ik zag het liggen, klam van gelatenheid.
welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.
roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds,
de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.
zij zingen en beweegen hun bevallige handen.
en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.
veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.
Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?
maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwer ziel zacht gebed.
om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,
om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.
ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.
ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.
honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"
den doorn der waarheid plant ik in hun borst.
de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.
mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!"
dan, in de dagen van verbittering,
ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,
uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.
in zwarte teekenen geboekt houden zij het.
ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.
als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,
als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis.
zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.
priesters noem ik u en bemiddelaars,
hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond.
en Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren.
weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.
van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog.
liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.
vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.
waar al het geziene en getaste is, rondom,
in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.
het getaste en geziene is schim en ijdelheid,
op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen.
Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?
gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.
Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?
en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal.
Door u spreeken de gelukzaligen tot ons.
dwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.
als stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee.
vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.
ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind.
en al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind.
het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.
en mijn bladeren beweenen mijne zonden.
en den weekhartige ben ik tot aanstoot.
verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.
en het licht des heemels ken ik beeter.
wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader,
het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.
en uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.
En zal Hij zichzelven vernietigen?
mijn adem, en mijn marmer-treeden,
mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen.
en wie is er van de leevenden die mijn hart kent?
Het Antwoord.
mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.
omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.
Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?
langsaam maar heft God's goede zon mij op.
de zoete tranen mijner verneedering
wat kennen wij onzer eigene domeinen?
Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.
zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.
Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blaauwen horizon?
Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.
Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.
in zich kookerende verschieten, al heller en inniger,
waaraan geen einde is.
Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!
Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet?
Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.
Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.
De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzon
De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.
Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.
Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.
Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond.
Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.
Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaande
opdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.
de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,
de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,
bevolkt met vreemde verbeeldingen.
en elkander—O de liefde hebben wij immers!
waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.
smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.
dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.
omdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,
omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.
maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.
verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.
Is God dan in 't vergankelijke?—En wat is er meer?
hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.
door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.
tot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.
voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.
die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,
hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.
waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.
maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.
vuurige woorden van felle heerlijkheid.
laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,
vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.
aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.
In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.
Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.
Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige
zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.
vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.
maar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.
gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.
voor wie Gods lichte werken in zich heeft.
hij vertelt het gebeurende als een blij kind.
Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam.
zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.
veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?
Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.
omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.
mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.
opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.
Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.
rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.
hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.
zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.
maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,
Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?
Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.
nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.
maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?
zijn zwaren gang weet ik—en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.
nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,
die macht geeft oover het kwade en oover den dood.
En hoeveel zijn de dagen die mij resten?
Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!
als het domme vee dat zijn voer vertrapt,
de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.
tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.
Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?
Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan?
In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.
hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,
In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.
als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.
de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.
maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.
het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.
het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.
want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.
hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.
hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.
zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts.
maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.
zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.
door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.
verheeven is hij door natuurlijkheid.
hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.
maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.
God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.
uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.
Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.
Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.
Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.
schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?
ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.
zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.
van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,
Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.
dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.
met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.
zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,
zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.
Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.
verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.
Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!
Nochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.
méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.
Dierbaar is zij ons en vertrouwd.—Wat dan der ziel?
Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.
Onkenbare machten omringen ons met invloeden.
Engelen en démonen, heilige en ellendige.
Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?
Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?
Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.
de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.
van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.
waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.
beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.
zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,
zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.
hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.
zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.
wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?
ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.
maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.
hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte,
Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".
zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.
zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".
weetend dat niemand met vóórwending gediend is.
Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.
Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.
als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid.
En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?
Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.
Gij zult er schoone liefde vinden voor God,
verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.
aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.
zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.
zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.
Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.
en ontvangt den sleutel aller raadselen.
noem het licht loogen en gij blijft in duister.
en de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren.
toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.