WeRead Powered by ReaderPub
De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) cover

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)

Chapter 42: Hoofdstuk XXXII.
Open in WeRead

About This Book

A concise guide for non-specialists that explains Confucian thought through an introduction to its core principles, historical background, and a biographical account of Confucius; it presents translations and commentary on central texts—Choeng Yoeng (the Mean), Ta Hiŏh (the Great Learning)—and selected fragments from Loen Yü (the Analects). The commentary clarifies key terms, offers interpretive notes, and contrasts existing renderings to help readers understand how Confucian ideas inform social and familial institutions. Combining explanatory essays, historical context, and annotated translations, the work aims to make classical Chinese philosophy accessible without requiring prior sinological training.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXXII.

1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen?

Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit werk reeds besproken „vijf Loen”.

2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel!

3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, helder van doorzicht, [140]wijs en allesomvattend (van verstand), en die de deugden van den Hemel heeft.

„Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching Su hierbij op.