1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen?
Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit werk reeds besproken „vijf Loen”.
2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel!
3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, helder van doorzicht, [140]wijs en allesomvattend (van verstand), en die de deugden van den Hemel heeft.
„Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching Su hierbij op.