WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 47: ZANG, OP DE WIJZE: IETS MOET IK U, LAURA! VRAGEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

ZANG,
OP DE WIJZE: IETS MOET IK U, LAURA! VRAGEN.

DE POËET.
Dianier roeide in een schuitjen,
Met haar keeltjen, onder 't fluitjen
Van haar vrijer Koridon.
Doris'[1] kroost, met natte pruiken,
Fluks kwam van den grond opduiken,
En zich bakren in de zon.
Na veel zingens, dees gelieven
Beurt om beurt een lied aanhieven,
Liedjen, zonder wederga:
Zij prees 't mijen, hij het huwen,
D' een woû vrijen, d' ander schuwen;
Zij zong voor, en hij peep[2] na:
DIANIER.
"Maagden, die den rei vercieren,
Zijn als Febus' lauwerieren,
Maagden groenen als de palm.
Wat zijn vrijers woorden heden,
Hun beloften en hun reden,
Meer als krachtelooze galm?"
KORIDON.
"Maagden, die de min uitsluiten,
En hun jeugd verijdeltuiten,
Noch[3] verwekken iemands gonst;—
Men mag 't zus of zoo bewimplen,
Och! wat is het, als met rimplen
D' ouderdom het voorhoofd fronst?"
DIANIER.
"'t Voorhoofd fronst ze, die met zinnen
En gedachten slaat aan 't minnen.
Is het niet een zotte klucht[4],
Dat men laat zijn vrijheid slippen,
Om het drukken van de lippen,
Om een scharrebiers-genucht?"
KORIDON.
"Zotter is 't, 's jeugds frissche rozen
Slaloos[5] te verreukeloozen,
En den minnaar slechts te spijt,
Na goê dagen en kwâ nachten
Vreugd noch zegen te verwachten,
Maar elks laster en verwijt."
DIANIER.
"Koridon! gij meugt wat praten,
Maar ik zal u eeuwig haten;
Boeit me niet door dwaze trouw."
KORIDON.
"Dianier! 't zijn meiskens vlagen,
'k Zal u eeuwig liefde dragen,
En hoog achten als een vrouw."
DIANIER.
"Ja, zoo fluit men met verlangen,
Om het vogeltjen te vangen,
En te sluiten in een kouw."
KORIDON.
"Neen, zoo lokt het harder-knaapje
Om het afgedwaalde schaapje,
Dat hij garen hoeden zou."
DIANIER.
"Koridon! zet me op aan d' elzen."
KORIDON.
"Die malkanderen omhelzen?"
DIANIER.
"Koridon! gij zijt een boef,
Laat de maagden eenzaam peinzen!"
KORIDON.
"Dianier! hoe kun je veinzen?
Zonder vrijer, zonder troef[6]."
DE POËET.
Onder 't spel van zang en fluitjen,
Vat een stormken 't zeil van 't schuitjen,
Met sloeg 't om. Zij riep in nood.
Hij omarmde Dianiertjen,
En kreet: "water, blusch geen viertjen!"
Dronk met haar een zoete dood.
Stroom-godesjes d' uitvaart vierden,
En hen beî ten oever stierden:
Daar één graf twee lijken kreeg;
Sedert hier de zieltjes waarden[7],
En haar stemmen voeglijk paarden.
Zong zij hoog, zoo peep hij leeg.

[1] De bekende zeenimf, hier voor waternimf in 't alg.

[2] Voor pijpte, floot.

[3] Lat. voor en niet.

[4] zot stuk (klucht niet in zijn latere, maar zijn oorspronkelijke beteekenis, als deel, genomen).

[5] achteloos; verg. daarover De Jagers aant. in zijn Archief II, bl. 227.

[6] geluk, heil.

[7] zwierven, rondwaarden.