DE POËET.
Dianier roeide in een schuitjen,
Met haar keeltjen, onder 't fluitjen
Van haar vrijer Koridon.
Doris'
[1] kroost, met natte pruiken,
Fluks kwam van den grond opduiken,
En zich bakren in de zon.
Na veel zingens, dees gelieven
Beurt om beurt een lied aanhieven,
Liedjen, zonder wederga:
Zij prees 't mijen, hij het huwen,
D' een woû vrijen, d' ander schuwen;
Zij zong voor, en hij peep
[2] na:
DIANIER.
"Maagden, die den rei vercieren,
Zijn als Febus' lauwerieren,
Maagden groenen als de palm.
Wat zijn vrijers woorden heden,
Hun beloften en hun reden,
Meer als krachtelooze galm?"
KORIDON.
"Maagden, die de min uitsluiten,
En hun jeugd verijdeltuiten,
Noch
[3] verwekken iemands gonst;—
Men mag 't zus of zoo bewimplen,
Och! wat is het, als met rimplen
D' ouderdom het voorhoofd fronst?"
DIANIER.
"'t Voorhoofd fronst ze, die met zinnen
En gedachten slaat aan 't minnen.
Is het niet een zotte klucht
[4],
Dat men laat zijn vrijheid slippen,
Om het drukken van de lippen,
Om een scharrebiers-genucht?"
KORIDON.
"Zotter is 't, 's jeugds frissche rozen
Slaloos
[5] te verreukeloozen,
En den minnaar slechts te spijt,
Na goê dagen en kwâ nachten
Vreugd noch zegen te verwachten,
Maar elks laster en verwijt."
DIANIER.
"Koridon! gij meugt wat praten,
Maar ik zal u eeuwig haten;
Boeit me niet door dwaze trouw."
KORIDON.
"Dianier! 't zijn meiskens vlagen,
'k Zal u eeuwig liefde dragen,
En hoog achten als een vrouw."
DIANIER.
"Ja, zoo fluit men met verlangen,
Om het vogeltjen te vangen,
En te sluiten in een kouw."
KORIDON.
"Neen, zoo lokt het harder-knaapje
Om het afgedwaalde schaapje,
Dat hij garen hoeden zou."
DIANIER.
"Koridon! zet me op aan d' elzen."
KORIDON.
"Die malkanderen omhelzen?"
DIANIER.
"Koridon! gij zijt een boef,
Laat de maagden eenzaam peinzen!"
KORIDON.
"Dianier! hoe kun je veinzen?
Zonder vrijer, zonder troef
[6]."
DE POËET.
Onder 't spel van zang en fluitjen,
Vat een stormken 't zeil van 't schuitjen,
Met sloeg 't om. Zij riep in nood.
Hij omarmde Dianiertjen,
En kreet: "water, blusch geen viertjen!"
Dronk met haar een zoete dood.
Stroom-godesjes d' uitvaart vierden,
En hen beî ten oever stierden:
Daar één graf twee lijken kreeg;
Sedert hier de zieltjes waarden
[7],
En haar stemmen voeglijk paarden.
Zong zij hoog, zoo peep hij leeg.