WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 48: BEEKZANG, AAN KATHARINA.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

BEEKZANG, AAN KATHARINA.

Wijkerbietje, die bij 't beekje
Nestelt, en geeft menig steekje
Die uw honig komt te dicht[1];
Wakker nymfje! die zoo klaartjes
Met uw oogjes, op de blaârtjes
Flikkert, blikkert, straalt, en licht;—
Zeg mij, meisje! die zoo netjes,
Poezelachtig zijt, en vetjes,
Levend, helder, welgedaan!
Waarvan moog je zoo wel tieren,
Daar al de andre arme dieren[2]
Bleek en treurig kwijnen gaan?
Eet je slaatje met een eitje?
Drink je niet dan schapeweitje?
Pluk je moesjen[3] uit den tuin?
Bak je struifjes van de kruitjes?
Trek je heen, na zomerbuitjes,
Om lamprei en k'nijn, in duin?
Slaap je op dons van witte zwaantjes?
Lek je muskadelle traantjes?
Hou je een ongemeenen stijl?
Leg je in schim[4] van koele boompjes?
Droom je daar geen andere droompjes
Als van suiker uit Brezijl?
Zwem je in lachjes en genuchtjes?
Leeft uw geest in zotte[5] kluchtjes?
Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erf je niet als heil en zegen?
Ben je juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf?
Zeg het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijk;
Red die diertjens van haar tering,
Onderkruip den Haes[6] zijn neering,
En wordt dokter van de Wijk.

[1] te nabij.

[2] meisjens.

[3] groente, kruiden.

[4] Schaduw.

[5] Zoo lees ik voor zoete, dat niet anders dan een drukfeil of een latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant. 4.

[6] Den Wijkschen geneesheer.