WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel cover

De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel

Chapter 14: Nieuwjaarslied,
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The volume assembles a wide range of the poet's verse and drama, from occasional songs and dedications to funeral elegies, moral and devotional poems, and stage tragedies. It juxtaposes civic and political odes with intimate celebration and lamentation, explores Catholic theology and devotion—including meditations on the Virgin, the papacy, and the Eucharist—and adapts scholastic and classical models into lyrical and dramatic forms. Prefatory essays and critical notes frame the selections by tracing the author's life, beliefs, and artistic aims, offering readers both texts and contextual commentary.

[13] In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie: Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, in de Studiën, eerste jaargang, I. blz. 18.

[14] G. Brandt. Leven van Vondel.

[15] Leven van Vondel.

[16] Geschiedenis der Nederlandsche letteren II. blz. 51.

[17] Vondels gedichten op de Societeit van Jezus blz. 5-6 en 12-16.

[18] Alle de gedichten van J. Vos I. blz. 304.

[19] De werken van Vondel, XII. blz. 148.

[20] Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek, 1859 blz. 146.

[21] J. V. Lennep, De werken van Vondel IV. blz. 451.




Schriftuurlijk Bruilofsreferein
OP HET HUWELIJK VAN
JACOB HAESBAERT
MET
CLARA VAN TONGERLO.

JUNIJ[1] 1605.

Verheugt, o Febi jeugd![2] door dezen zoeten tijd:
De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;
't Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;
't Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!
Droefheid, neemt[3] fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!
Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.
Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,
Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,
Die om[4] vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5] kent,
In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.
Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!
Laat jonst[6] begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,
En d' Haas-baart[7] zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8] beter gelijken?
Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9] zijn verhoogd
Noch Thalassus[10] geclangh, maar Godes lof voortbringen,
Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,
Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,
Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,
Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;
Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,
't Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].
Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verband
Alleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:
Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':
Wie hem met lust bemint, en derft[14] voor niemand duchten,
Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchten
En d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,
Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,
Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:
Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!
Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!
Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,
Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,
Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,
Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,
Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],
Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,
Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];
Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaar
Van Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,
Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,
Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,
Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,
Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;
't Bruiloftskleed zij ontfaân[19] door dezen Vorst vol vreden,
Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,
Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],
In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;
Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],
Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.
Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
PRINCE[22].
Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,
Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;
Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,
In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:
Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,
In al zijn wegen zal[23] verleenen overvloed,
Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],
Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];
Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,
Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,
Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:
De Heer geev' haar doch kracht,om inliefd' niet te flaauwen,
Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
LIEFDE VERWINNET AL.

Voetnoten

[1] Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat. Junius (even als Julius, Augustus, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij als ei uitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.

[2] Verheugt u, zonen van den dichtgod.

[3] Thans, minder juist, neem; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (du) door 't meerv. (gij), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.

[4] Thans om te, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.

[5] Minzaam.

[6] Gunst.

[7] Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.

[8] Ik kan het niet;—en (niet met het verbindend en, eig. ende, te verwarren) staat met het Fransche ne gelijk, en had dan (even als dit pas) gewoonlijk niet bij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regel en laat.

[9] De (Grieksche) huwelijksgod.

[10] De Gr. bruiloftsgod.

[11] Thans schonk.

[12] Voor bekend.

[13] leert hij nam. Kristus.

[14] behoeft.

[15] edelgesteente.

[16] Versta: begeven zou.

[17] waardig, verheven te worden boven alles.

[18] echtgenoot.

[19] Thans ontvangen; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijken ontva-en geheel verdrongen heeft.

[20] Versta: wacht zij.

[21] Voor gewrocht.

[22] Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele—meer gekunstelde dan kunstrijke—Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet de Prins der Kamer aangesproken.

[23] Nam. de Heer.

[24] Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).

[25] Voor voorspoed.




Nieuwjaarslied,

A°. 1607.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.
De Dood, zeer snood, d'[1] Aarde haar pijlen bood,
D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen,
Deugd vlood door nood, durfd' haar[2] niet geven bloot,
Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren,
Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden;
De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet;
Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden—
Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.
Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht,
Bekleedt met vreed' een spruit wiens TROUW MOET BLIJKEN[3],
Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht,
Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken:
D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig:
Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht:
Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig:
Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.
Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam,
Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen,
Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam,
Om uit 't besluit der feest[4] niet meer te dolen.
Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven,
Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand;
Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven,
Alwaar dit paar[5] des levens Boom herplant.
Het kind bemint[6] de Liefd', die 't kwaad verwint,
Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8] wezen;
Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt,
Ontbloot[9] devoot, uw eigen wil misprezen,
En tracht, bedacht, om[10] zuiveren inwendig
Uw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel;
Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig;
Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.
PRINSE
Verlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daad
Ontziet verdriet noch kruis om[10] zijn herboren,
Al staat vleesch-raad, en[11] poogt naar 's wer'lds onmaat,
Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren,
Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten,
't Kind klein, 't welk pleyn[13] u heerschen[14] moet vooral;
Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten)
Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.
LIEFDE VERWINNET AL.

Voetnoten

[1] Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voor den in zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regel D' ondeugd, en later D' ootmoed.

[2] Thans zich.

[3] Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.

[4] Buiten den kring van 't feest; dit laatste woord (naar den aard van 't lat. festa) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoo venster (beter fenster) voor 't lat. fenestra.

[5] Kristus en zijn kruis.

[6] Het beminde kind, nam. de Liefde.

[7] Minzaam, liefelijk.

[8] Eenvoudig.

[9] Verzaakt.

[10] Thans om te; verg. vroeger.

[11] niet.

[12] Voor leed.

[13] Volkomen.

[14] Voor beheerschen.


De Jacht van Cupido.

In het zoetste van den tijd,
Als Febus[2], met helder stralen,
Taurus[3] snel ging achterhalen,
Kwam Cupido, Venus' zoon,
's Morgens tot zijn moeders troon,
Eer Titons bruid[4], met verlangen,
Vertoont haar bloeyende wangen.
Venus lag in ruste zoet,
Die door Lethes[5] werd gevoed;
Cupido, met heuscher spraken[6],
Onverziens haar deed ontwaken:
"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?
'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."
Zij ontsprong[7], en goedertierig
Schoof op haar gordijntjens cierig[8]:
"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!
Aanvangt[10] gij uwe dagvaart?
Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,
Dat niemand uw pijlen keere;
Keert in tijds tot mijn paleis,
Fortuin bejongstig' uw reis!"
Fluks heeft zich Cupido waardig
Tot de jacht snel gemaakt vaardig;
Niet, als Adonis, beangst[11]
Om der wilder[12] dieren vangst,
Maar om hemel en aard' tranig[13]
Zich te maken onderdanig.
Hij streelde zijn haar verguld,
Zijnen koker hij vervuld'
Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],
Doch verscheiden van naturen,
Waarmeê hij, zonder geschil,
De minnaars pijnt naar zijn wil;
Hij ontsloeg[15] zijn wakkre vlerken,
Om zijn krachten te doen werken;
Eer hij toegemaakt[16] vol jonst
Was, door der Chariten[17] konst
Zag hij 's werelds lamp[18] verschijnen,
Nu hij tot de reis ging pijnen[19].
Aura[20] en Zefyrus beid'
Speurend, dat hij was bereid,
Als voorboden gingen zwieren,
Beekskens, blaadren deden beven;
Cupido haar volgde snel,
Om spelen 't gewoonlijk spel.
Beiden, menschen ende Goden,
Haast vernamen, door dees boden,
Wat kwale hen overviel,
Tot beroering van hun ziel;
Maar eer zij konden ontvluchten
Dezen schutter, 't pijnlijk zuchten,
Werden zij, in korter[21] stond,
Van zijn pijlen wreed doorwond;
Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,
't Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,
Onverziens zich vindt bezet
In des vooglaars listig net,
Alzoo dees vrijen, in orden[22],
Moesten Liefdes slaven worden;
Jupiter[23], uit den Olimp,
Die voormaals, met spot en schimp,
Dezen jager ging begekken,
Moest nu Liefdes keten trekken;
Apollo, en Pluto rijk[24],
Mercurius, vol praktijk[25],
't Moest al onder zijn juk buigen:
Mars moest Venus borsten zuigen,
Niet de rechter borst vol wijn,
Maar de slinke vol venijn;
Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,
Moest van Liefdes spijze kluiven;
't Kind hield d' overhand in 't perk[27]
Over menschen, Goden sterk,
Ving en schoot stadig vol kwalen,
't Waar te lange om verhalen;
En, gelijk 't vermoeide hert,
't Welk in strikken is verward,
En 's jagers list is beproevig[28],
Schreyet bittre tranen droevig,
Alzoo ook met tranen elk
Moest vervullen Venus' kelk;
Deze schutter, naar zijn wenschen,
Trefte[29] Goden ende menschen.
Den tijd, die (steeds onvermoeid)
Gedurig voortvaart en spoeit,
Liet Hesperus[30] zien, terwijlen
Cupido verschoot zijn pijlen;
D'avond dekte 's werelds oog,
't Weeldrig kind van Pafos vloog,
Om zijn moeder te verzellen,
En zijn avontuur vertellen;
Als Venus haar kind vernam,
Zij hem in haar armen nam.

Voetnoten

[1] Als 't Westewindjen met de bloemen koost.

[2] De Grieksche Zonnegod.

[3] De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.

[4] Aurora,'t morgenrood.

[5] de vergetelheid.

[6] met heusche taal.