[13] In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie: Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, in de Studiën, eerste jaargang, I. blz. 18.
[14] G. Brandt. Leven van Vondel.
[15] Leven van Vondel.
[16] Geschiedenis der Nederlandsche letteren II. blz. 51.
[17] Vondels gedichten op de Societeit van Jezus blz. 5-6 en 12-16.
[18] Alle de gedichten van J. Vos I. blz. 304.
[19] De werken van Vondel, XII. blz. 148.
[20] Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek, 1859 blz. 146.
[21] J. V. Lennep, De werken van Vondel IV. blz. 451.
[1] Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat. Junius (even als Julius, Augustus, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij als ei uitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.
[2] Verheugt u, zonen van den dichtgod.
[3] Thans, minder juist, neem; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (du) door 't meerv. (gij), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.
[4] Thans om te, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.
[5] Minzaam.
[6] Gunst.
[7] Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.
[8] Ik kan het niet;—en (niet met het verbindend en, eig. ende, te verwarren) staat met het Fransche ne gelijk, en had dan (even als dit pas) gewoonlijk niet bij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regel en laat.
[9] De (Grieksche) huwelijksgod.
[10] De Gr. bruiloftsgod.
[11] Thans schonk.
[12] Voor bekend.
[13] leert hij nam. Kristus.
[14] behoeft.
[15] edelgesteente.
[16] Versta: begeven zou.
[17] waardig, verheven te worden boven alles.
[18] echtgenoot.
[19] Thans ontvangen; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijken ontva-en geheel verdrongen heeft.
[20] Versta: wacht zij.
[21] Voor gewrocht.
[22] Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele—meer gekunstelde dan kunstrijke—Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet de Prins der Kamer aangesproken.
[23] Nam. de Heer.
[24] Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).
[25] Voor voorspoed.
[1] Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voor den in zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regel D' ondeugd, en later D' ootmoed.
[2] Thans zich.
[3] Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.
[4] Buiten den kring van 't feest; dit laatste woord (naar den aard van 't lat. festa) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoo venster (beter fenster) voor 't lat. fenestra.
[5] Kristus en zijn kruis.
[6] Het beminde kind, nam. de Liefde.
[7] Minzaam, liefelijk.
[8] Eenvoudig.
[9] Verzaakt.
[10] Thans om te; verg. vroeger.
[11] niet.
[12] Voor leed.
[13] Volkomen.
[14] Voor beheerschen.
[1] Als 't Westewindjen met de bloemen koost.
[2] De Grieksche Zonnegod.
[3] De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.
[4] Aurora,'t morgenrood.
[5] de vergetelheid.
[6] met heusche taal.