Welaan, mijn Zang-Godin! 't is tijd, dat wij aanvangen
Te stellen op 't Tooneel, al zijn wij plomp en grof,
Het droevig Treurspel van 't Parisiaansche Hof,
Waarom de tranen nog bepaarlen onze wangen.
Gij wereld-Goden, o! die op uw groote kroonen,
Op uw Rijks-staven en verheven zetels pocht,
Wiens wortels in de Hel, wiens spitsen in de Locht
[2]
Zich bergen, komt nu hier! komt hier, ik zal u toonen
Dit heerlijk schouwtooneel: komt, doet uw oogen open,
't Zij of gij heerscht, daar ons met zijn gespiegeld licht
De Morgen-wekker
[3] roept, 't zij of gij hebt gesticht
Uw troonen, daar den dag ons afpunt
[4] gaat ontloopen.
Ziet, in dit tafereel, van uwe heerlijkheden
Den wankelbaren stand; ziet, hoe eens Konings roem
En blijdschap eer verwelkt dan een versierde bloem,
Die 's morgens vrolijk bloost, en 's avonds ligt vertreden.
Schouwt's tijds getuimel aan, die
[5] als een gramme Leeuwe
Uw vluchtig leven scheurt, en hier in 't aardsch gewoel
Den Vader rukt in 't graf, den Zoon stelt op den stoel,
En wendt zoo stadig 't glas van Koning, Staat, en Eeuwe.
Zijn hooge Majesteit, de Kristelijkste Koning
[6]
Zich nu gezegend vond, en Frankrijk in 't gemeen
Riep: tot verzeekring van dees' Monarchie, alleen
Ontbreekt onz' Koningin
[7] de Koninklijke krooning.
De krooninge, wiens glans van 't Oosten tot het Westen
Gelijk de bliksem licht, en onzen Dolfijn
[8] voedt
Zoo mann'lijk tot de Kroon, als wel zijn Edel bloed
Rechtvaardig' erfgenaam hem tuigt, en kan bevesten.
Dus rees tot Sint Denijs
[9] den blijden dag besloten,
Tot Medicis
[7] triumf, waar voor de schoone Mei
Haar bloemen allesins op 't aardrijk, als een sprei,
Had verwig uitgespreid, en rijkelijk gegoten.
De vuur'ge Zonne-kloot (die met een heet gebluister
[10]
Naar 't Tweelings teeken liep) heeft zich van spijt gebergd
[11],
En, van zoo veel gesteente en dierbaar goud getergd,
Verloor zijn heerlijkheid, en zijner stralen luister.
Wat pratter
[12] pronkerij! wat zeldzaam' levereyen
Vertoonen zich alhier! hoe blinkt hier menigvoud
Den aardschen Hemel! ô, hoe ruischt en kraakt hier 't goud
Der kleedingen, waarin zich Zephyr komt vermeyen!
't Is Salomonis Eeuw, 't zijn d' Idumeesche stranden,
De Paarlen zijn gemeen, en 't Goud hier ongeacht;
Hier heeft Natuur en Kunst om 't kunstigste gewracht,
Zij off'ren samen hier de werken hunder
[13] handen.
Maar wie in al 't gedrang zoo heerlijken van verre
Doch bovenal uitmunt, o, 't is de Koningin!
Henrici schoone Bruid, de sterflijke Godin,
Die men de Kroon opstelt
[14] van Frankrijk en Navarre.
Die, met haar witte hand en vingeren ompeerelt
[15]
Den Scepter Galliae, eenstemmig algelijk
Men Koninginne kroont van 't Fransche Koningrijk,
En wettelijk omdrukt
[16] voor God en al de wereld.
Ai! ziet, wat grooter vreugd en vrolijkheid der Franschen
Gemoeden
[17] rêe bevangt, nu met een luide stem
Des Hemels Echo roept: veel heils de Diadem,
Die op Maria's hoofd weêrlicht met helder glansen!
Leef lang, o Koningin! die door uw kinder-baren
Ons gelukzalig maakt, uit wier vruchtbaren schoot
De Dolfijn is verwekt, die na zijns Vaders dood
Den sleutel van dit Rijk zal houden en bewaren.
Ter goeder tijd en uur, Princesse! gij Florencen
Tot onzer baten liet, en braakt de blaauwe zee
Haar golven met de kiel uws vlottigs Schips in twee,
En landen
[18] spoedig als een Venus aan onz' grenzen.
Dus eindigt deze Feest. Vive! o Vive la Reine!
De naklank al den nacht vast wederschalt verheugd,
Denijs
[19] onwetens is op 't hoogste van zijn vreugd',
Met dat zich Febus weêr komt spieg'len in de Seine.
De Koning vindt Parijs met vrolijkheid bevangen,
En overgeven heel; hij ziet, naar zijnen lust,
Hoe vlijtig ieder zich siert, wapent, en toerust,
Om 's volgenden Sabbats
[20] zijn' Koningin te ontvangen.
Henricus, die de deugd en 't heilig Evangelie
Zoo vuriglijk beschermt, helaas! denkt luttel, ach!
Dat met de Zon alreê gerezen is de dag,
Waarin zijn leven zal verwelken als een Lelie.
Als hij na middag doet den Koetsier zijnen wagen
Voorthalen met 't gespan, terwijl, aan 's Hemels glas,
De Zonne wederom gaat vallen in het gras,
Zoo heeft de klok zijns tijds de laatste uur geslagen.
Hij klimt ontijdelijk in zijn gewielde Koetse,
Om, volgens zijnen aard, in 't Heldisch Arsenaal
Zich spieglen in 't azuur van 't Oorlogs wapen-staal,
Daar van zijn vromigheid
[21] blijkt de beproefde toetse.
Waar is de dapp're schild, daar zijn verwonnen Steden
Men in gebliksemd ziet? daar hij met 't bloedig zwaard,
Met roode sluyers, en veel krijgs-roof kwam te paard,
Zelfs uit den slag Ivry
[22] triumfelijk gereden;
Daar 't bloed liep van zijn arm met karmozijnen stralen,
Daar hij stak in de lucht de bloedige Trofeên,
Waar met
[23] de Ligue in 't vlak bestoven veld verscheen,
En meende van zijn hoofd de groote kroon te halen.
De blazers
[24] liggen hier, daar zijn rebelle Gallen
Eer met gedwongen zijn tot onderdanigheid,
Waar met de dolle Mars ter neder is geleid,
Waar met beschoten zijn zoo veel versteende wallen.
Maar och! hij rijdt al voorts; lijf-wachters! wilt u schamen,
Dat gij zoo traaglijk volgt; 't is tijd om toe te zien,
Gij laat hem in zijn koets met weinige Edel-liên
Zijn einde vinden, en zijn duister tombe samen.
De Voerman, die hier stuurt de breidels en de toomen,
Den Stuurder recht gelijkt, die met 't gevlerkte schip
Loopt op een blinde klip, op een verrader-klip,
Op een gedoken Roots
[25] in d' Oceaansche stroomen.
De Rossen doen 't gebit van hare breidels schuimen,
En weig'ren lui en traag te trekken hunnen last,
De toom die hun
[26] bedwingt, de geesel-zweep die klast
[27],
Doet hun het laatste pad van 's Konings rid opruimen.
't Plaveisel van de straat, d' oneffen harde steenen,
De Koetse weren wil in haren kwaden tocht:
Des Hemels oog verdompt
[28], zijn fakkel in de locht,
De blaauwe Hemel zich ontluistert al met eenen.
Gelijk men menigmaal de teekens en voorboden
Van 't aanstaande onweêr ziet, als over 's werelds kruin
Zich donder, bliksem, wind wroegt
[29], dampig, mistig bruin,
Als Juno
[30] krijgen zal met haren God der Goden;
Zoo ziet men hier alreê bewegelijk voorloopen
De bonte Regen-boog, der zwarte wolken val,
Die Frankrijks Horizont, met 't schreyende kristal
Van een stort-regen, zal in droeve tranen doopen.
François
[31] (o, geen François, maar overgeven Moorder!)
Den wagen heeft in 't oog, welk bij Sint Innocent
Een Karre en Koetse
[32] ontmoet, die met hun wielen, blend
[33]
Weêrhouden 's Konings Koets, dat achterwaarts noch voorder
Geen van hun allen mag; 't zij dat de raders haken
In d' een en d' anders As, of 't zij elkanders rad
Malkanderen in 't spoor van eenen wagen-pad
Weêrhouden, en soo t' zaâm aan 't stille staan geraken.
De booswicht hierop loert, en ziet zijn zake schoone,
Dies wapent Satan hem: hij rukt uit zijne scheê
't Geblinddoekt hand-staal
[34] daar hij met (o schriklijk wee!)
Bourbon
[35] twee wonden geeft, aldaar hij zit ten toone:
Beide in zijn linkerzijd', vervloekte Moorder-stukken!
D' een naar de schouder toe, niet dieper is gepriemd,
Dan recht door 't vliezig vel, en d' ander, al gevliemd
[36],
Van 's Konings edel hart gaat d' ader diep doordrukken.
Beneên de zesde rib 't gepunte moord-mes krachtig
In 's Konings lichaam dringt, zoodat het met zijn spits
Den hollen
[37] ader treft; o doodelijke flits!
De wereldsche Monarch zinkt in zijn koetse onmachtig.
Gelijk op Helicon
[38] uitbortelende d' ader
Des Bergs ten Hemel sprong, toen met 't hoef-ijzer straf
Perseï lichten Hengst haar sloeg en oorsprong gaf,
Zoo spuit ook alsins 't bloed van dezen Franschen Vader;
Zijn Edelliên verbaasd, om 't edel bloed te stelpen,
Fluks wenden naar 't Paleis de Koninklijke koets,
Die stroomig overliep van een riviere bloeds:
Men riep, men kreesch om hulp; helaas! het mocht niet helpen.
Van alle kanten 't volk de straten kwam vervullen,
En bootsen
[39] 't baar-gedrang van een vergramde Zee:
D' een, om den moordenaar te scheuren fluks in twee,
Men als een Leeuwe zag van toorne en gramschap brullen;
D' een loopt naar 't groot Paleis, en d' ander, met veel scharen,
Zich op de wallen geeft; d' een spoedt zich vlug en rad,
Om 't Capitolium van dees beroemde stad,
En d' ander om Loys, den Dolfijn, te bewaren.
Dus ondertusschen raakt de Koning in de Louvre,
Alwaar zijn bleek gelaat naar 't leven vast de dood
Afschildert, en betuigt den sterfelijken nood,
En star-oogt Hemelwaarts naar aller vromen oevre
[40].
Zijn handen vlecht hij t'zaâm naar den gesternden Troone
En roept helaas! (zoo 't schijnt) den hoogsten Koning aan:
Wil tot een Offerande, o Heer! mijn Ziel ontfaan,
Als 't Lichaam zal ontlast zijn van deez' aardsche Kroone.
Driemalen schijnt hij nog adieu te roepen t' elken
[41]:
Adieu, mijn Koningin, mijn Kinders, en mijn Hof!
Mijn leven nu verscheidt uit 's Lichaams brooze stof,
Onsterflijk zij mijn Ziel, 's Geest's hutte moet verwelken.
Daar werd zijn lijk beschreid met heet beweegde tranen,
De droefheid overvloeit tot 's Hemels hoog gebouw,
't Geluid ten wolken klimt; daar kleedt zich in den rouw
De Choor des Parlements
[42], met al zijn onderdanen.
De duizend-tongsche Faam zij uw gerucht bevolen,
Beklaaglijke Monarch! aldus de Peleaan
[43],
Met Cesar de Romein dy
[44] lange is voorgegaan,
Doch huns naams Echo speelt nog heden in de polen
[45].
Jaar-maanden zeventien, en elf Olympiaden
[46]
Afgunstig heeft de tijd uw dagen afgemaaid,
En eindelijke 't wiel van dynen
[47] loop gedraaid,
Na dat men heeft gezien de bliksems van uw daden:
Na dat men den Olijf heeft vredelijk zien bloeyen
Sinds gij den Traciër
[48] hebt zijn wapenen beroofd,
En, onder 't lief ontzag van uw gelauwerd hoofd,
Navarre en Frankrijk tot één Ligchaam laten groeyen:
Nu slaapt, Henrice! slaapt; nu rust op der gedachten
Verheven Altaar-plat, na zoo veel Wapen-strijds:
Vermeluwt
[49] dijn Colos door 't oud verloop des tijds,
Of wischt men't grafschrift uit van mijn geveêrde schachten,
Uw vliegende gerucht kan tijd noch eeuw verrassen:
De Fenix beeldt dit af, die eindelijken
[50] spijst
't Vuur met zijn sterflijkheid
[51] waar uit de jonge rijst:
Zoo ziet men weêr verwekt den Dolfijn uit uw asschen.
O, snoode Ravaillac! God zal hier namaals eischen
Van u (die Jean Castel, La Barre, en Biron volgt
Welk Acherontis poel en Styx
[52] heeft op gegolgd
[53])
Het duur vergoten bloed met een gekromde zeisen.
Helaas! gij moordt uw ziele in droefheid en ellenden,
Met 's Konings sterflijk lijf te maayen in het graf,
En moet hier evenwel, door d' allerwreedste straf,
Treurspelig dijnen tijd met 's Konings eind' volenden.
[Hoe lange zuldy
[54] nog den hoogsten rechter tergen,
Gij, Babylonsche hoer! die in de wereld zaait
't Vermaledijde zaad, waarvan men eindlijk maait
Dees vruchten; o, de val genaakt uw zeven bergen!
De waarheid schuift alsins de breê gordijnen open,
Waarachter gij boeleert met dijnen Helschen boel!—
Afgodisch knielt niet meer voor haren stoel,
Doet eens uw oogen op, gij, vorsten van Europen!
Ziet, hoe zij hare schaamt', met een onnut geweven
En ijdel spinneweb, nog te bedekken tracht,
Wat monster zij in 't licht der zonne heeft gebracht,
En hoe heur beelde Krist gelijkt als dood en leven!
D'onvastigheid aanschouwt van hare kerkpilaren,
Welk dreigen al van zelf te vallen onder voet,
Haar Evangelie-boek, bezegeld met het bloed
Des moorders, welk zij noemt haar heilge martelaren!]
[55]
De Hemel zij geloofd, die met zijn goedheids-vlerken
Heeft Frankrijk overschaâuwd, en met genade omarmd,
Die in zoo grooten storm den Dolfijn heeft beschermd
Met d'Eed'le Koningin; nu prijst Gods wonderwerken!
Veel heils en veel geluks, o schoone Morgen-sterre!
Die over Frankrijk licht, en in uw Vaders plaats
Met dijn Vrouw-Moeder heerscht, met zoo veel wijzen raads:
Io! Io! de Kroon van Frankrijk en Navarre!
Dolfijn (niet meer Dolfijn, maar Koninklijke Lelie
[56],)
Loys! die stadig moet vertreden zien den kop
Zijns vijands, en alsins 't veldteeken richten op,
De roode Standaart-Vaan van 't dobbel
[57] Evangelie!—
Tot eenen Gyges
[58] groeit; dat, door uw kloek bestieren,
Des Ibers jalouzie
[59] dy nimmer achterhaalt;
Als
[60] 't Pyreneesch gebergt' dijn Rijk van Spanje paalt
[61],
Schut zijn afgunstigheid ook zoo van uw frontieren!