WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.] cover

De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]

Chapter 5: Klinkert.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collected volume of seventeenth-century Dutch poetry and drama presenting devotional hymns and grim tragedies. The pieces use allegory and biblical imagery to depict a warrior's conversion from worldly arms to spiritual armor, with personified virtues — Wisdom, the World, and the Flesh — arguing for faith, righteousness, and restraint. Poems combine vivid battlefield and courtly scenes with contemplative prayer, sacramental language, and moral exhortation. Dramatic works stage lamentations and warnings about civic and religious collapse, employing rhetorical address and tragic spectacle to urge repentance. Overall the collection blends rhetorical flourish, metaphysical argument, and theatrical mourning to explore faith, temptation, and communal suffering.

JERUZALEM VERWOEST[1].

TREURSPEL,
den Joden tot nadenken,
den Kristenen tot waarschouwing,
ALS OP HET TOONEEL VOORGESTELD.

Matt. XXIII.

Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.

Virg. in Æneas I. Boek.

Hier zijn de tranen van ons smert,
En de ongevallen roeren 't hert.

AAN MIJN BROEDER,
OP HET TREURSPEL DER JODEN.

Klinkert.

Euripides, die heeft de aanschouwers lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peerlen uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren troon gerukt,
Beschreide Troyens val, met zuchten en met stenen;
Maar gij, o Broeder! der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Jeruzalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.
Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als 't verstaat,
Hoe Sions heerlijkheid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,
De machtigste pilaar van 't vruchtbaar Joodsche land,
Is omgeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.
Guilhelmus Vondelius[2].