Gij Kristen pelgrims, die hier dut
[386], en
[387] vreest geen leed
Van d' Engel Gabriël, die 's Hemels vloer betreedt,
Die d' heilge Moedermaagd boodschapte van te voren,
Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;
Ik zal 't ontvouwen, en voor u ontslui'ren al
't Geen aan te merken staat in Isrels droeven val;
Met aandacht daar op let, en u geenszins verwondert,
Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, geplonderd
Den priesterlijken stoel korts vol van majesteit,
Den koninklijken troon, de pracht en heerlijkheid
Des grooten Salomons; dat gij, met staal, met vlammen
En honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,
Die, alle volk te spijt en d' Engelen te trots,
Uitblonken in 't gebergt gelijk een glorie Gods:
Want daar is in vervuld 't geen voormaals u, in Perzen,
Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondig' hersen,
Te weten: dat het volk eens vorsts, gewapend sterk,
Uitroeyen zou de stad, het volk, en d' heilge kerk,
En schorsen, 't offren, en zijn valsche Godsdienst stichten,
Daar, boven d' arke, 't goud des Cherubs plag te lichten:
Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect
[388],
Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,
En van d' Olijfberg zag het heer de stad verrassen,
Den tempel branden, en 't verwoede Rome plassen
En, met d' hoefijzers van haar hengsten, staan in 't bloed.
Wie niet halsstarrig blijft, kan hier door in 't gemoed
Zich ook verzekren, dat, naar aller heilgen wenschen,
Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,
De groote Siloa: vermits men ziet ontrukt
Den Joden haren staf, en haren staat verdrukt,
Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegeven
Is tot een teeken, van d' oudvader, zat van leven,
Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld
[389],
Tot dat hij Juda zag ontschepterd en onthuld
Van zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,
En 't volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versmaden,
Zoo haast als het vernam, hoe Davids Godes zoon
Omleeg afbreken liet den wereldlijken troon,
Een ongeachte praal, indien ze wierd geleken
Bij 's Hemels glorie, daar hij zit, om uit te steken
Verr' boven al de pracht der koningen, die ooit
Hier lagen overhoop, en vochten haar berooid
[390].
Wat Kristen is er, die nu voên zal zijn gedachten
Met zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten,
Die aardsche kroonen strooit: die troonen bouwt in 't slijk:
Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:
Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:
Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,
Dat zijnen glans vergeet, en haast
[391] zijn luister derft?
Gij, huisgenooten Gods! die hier beneden zwerft,
Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,
Schoon Perzen waar uw leen, en Nimrods groote steden
Uw lot, schoon of al 't Oost voor u op 't aanzicht viel:
't Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel:
Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralen
Op haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:
Wat mocht het baten, als een lang gevreesde dood
Op 't onverzienst' voor u deze aardsche glorie sloot!
Laat dan de dwazen gaan brageeren
[392] en hoog roemen
In dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen:
Vliegt gij uit d' ijdelheid naar boven van beneên:
Klimt op, daar Jezus wordt van d' Englen aangebeên:
Daar 't heerschaar nimmer moê, met juichen en met springen,
Droomt nergens anders af als van hem lof te zingen:
Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:
Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,
Zijn enkel duisternis, ten opzien van den genen,
Die 't endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:
Daar 't nieuw Jeruzalem heeft gants een ander schijn:
Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:
Daar 's Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,
Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamanten
Verliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,
En duizend jaren zijn als onzer dagen een.
Wie zal nu twijflen, dat de wet, met al haar feesten,
't Wyrooken, 't slachten, en 't opofferen der beesten,
De reinigingen, en wat dienst daar meer aan kleeft,
Is donkerheid, bij 'tgeen dat schoonder luister heeft?
Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?
Of kiezen Mozes' glans voor Kristus' gulde klaarheid,
Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?
Wie Levi aanzien voor den tweeden Aäron,
Die in een schoonder koor gaat storten zijn gebeden
Als ooit hoogpriester, die hier wyrookte beneden
In 't heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,
Elk raadt, dat hij 't gemoed naar 's Hemels kerken wend',
Van derwaarts
[393] Jezus 't mann' laat regenen bij vlagen,
Veel zoeter als de broôn, die op de tafel lagen
Voor 't priesterlijk geslacht: van derwaarts elk bereid
Is spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.
O, bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!
Keert vrij uw aangezicht van 't vlammig borstgesteente,
Daar uwen Fenix
[394] meê ging brallen eens om 't jaar,
Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:
Die glanzen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,
Die diensten hebben uit: ziet Levi eens geplonderd
Zoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schat
En 't goud, dat Israël zijn kerk geheiligd had.
Zoo gij een priester zoekt, versmaadt dit driftig
[395] eiland
[396],
Gaat naar de sterren toe, daar vindy uwen Heiland,
Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,
Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.
Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralen
Omzweeft zijn majesteit! ei, ziet eens neder dalen
Die zoete Cherubijns en Serafijnen, om
't Schoon aanschijn door te zien van 's Hemels Bruidegom!
Zij lonken lodderlijk, en blijven op hem staren:
Volgt haren voorgang: laat de doode priesters varen,
En rusten in het graf: leent niet meer Mozes' mond
Maar Kristus' lippen 't oor: omhelst het nieuw Verbond!
Vermengt geen goud met lood; waardeert het beeld geringer
Als 't leven, daar 't op heeft gewezen met de vinger.
Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,
En nu besloten met der Joden ondergang,
U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,
Die wrake neemt van 't kwaad, en alle booze stukken;
En, tot waarschouwing van een iegelijk persoon,
Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:
Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,
Die overgeven
[397] vaak haar ouderen bedroeven,
Ja, een geheele stad, brandstichters, en verraârs,
Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,
Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,
Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,
En wegen op de straf, naar elks begangen
[398] feit:
De plaatse van 't gerecht geeft een afgrijslijkheid
[399]
Den reizigers, wanneer zij palen, raden, galgen,
En kruisen zien van verr', die haar het hert doen walgen
Van d' eiselijke stank, en 't aanzicht al verschrikt
Afwenden van 't geboeft', dat, d' oogen uitgepikt
En halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,
En d' arenden, die in haar ingewand begraven
[400]
't Verschrookte menschenvleesch, verdord en zwert gebraân;
Een vette buit, waarop dees dieren ledig gaan
[401].
De Joôn van misdaad, in haar knagende geweten,
Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profeten
Verpletterden met steen, en bliksemden haar 't hoofd.
Maar och! hoe was dat volk van 't Hemels licht beroofd,
Als zij ophoopten
[402] nog de afgrijselijke zonden,
En 't onbesmette Lam zoo bits naar 't leven stonden:
Hoe was al 't helsche spook
[403] ontketend op die dag,
Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:
Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,
Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen:
Die naakt ten toon gesteld eens ieders gaapspel was:
Doen 't al: "kruist, kruist hem!" riep, "en lost ons Barrabas!
Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,
Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:
Doen hij in 't richthuis droeg het purper tot zijn hoon:
Geschepterd met een riet, gemyterd met een kroon
Van scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersen
Ging vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,
Dat een slagregen van roô druppelen al meer
Droop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neêr:
Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,
't Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen:
O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,
Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten
[404] uit.
Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,
Die gaande sloegen voor haar borsten, en beklaagden
Den heiligen Profeet, die, door de gansche stad,
Veel kranken oon artsnij van 't bed geholpen had.
Indien nog 't loos gebroed zijn straf had willen keeren,
Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,
Die zich omwendde, en riep: "helaas, bedrukte rei!
Wat weendy over mij, maakt eer een veldgeschrei,
En uwen val beklaagt; want ziet, ik zie genaken
De fakkel, die uw stad verbranden zal en blaken:
Dan zal men roepen: "o, gelukkig is die geen,
Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:
O, driemaal zalig, die nooit blijde moeder waren,
Diens buiken nimmer zijn geslonken na het baren!""
Zoo sprekende, genaakt' hij 't Heidensche gericht,
't Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.
Hier most hij, naakt aan 't hout gehecht, te schendig lijden
[405]
Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:
Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:
Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot:
Met galle en eek gelaafd; hier zag hij 't handenwringen
Zijns moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen:
Hier schreid' hij: "God, waarom verlaat gij uw zoon!"
Dat zijnen moordschreeuw klonk in 's Hemels hoogsten troon;
Wij zagen hem terstond den lesten doodsnak geven,
En droegen fluks zijn ziel in 't vrolijk eeuwig leven,
In 't lieflijk Paradijs: van derwaart zag ze neêr,
En zag 't verlaten vleesch doorsteken met een speer,
De zonne gaan te rug, de cierlijke tapijten
Des tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;
Het aardrijk siddren, en de dood haar ijzren staf
Verworpen
[406], als de doôn opkeken uit het graf.
O, Kristen schare! laat zijn droevig lijden breken
Uw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wreken
Van 't goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,
Wanneer 't zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft:
Dus spiegelt u en vreest, eer gij mee wordt verstooten!
Want heeft hij niet verschoond natuurlijke loten
[407],
Veel minder ongekwetst die
[408] van zijn bliksems blijft,
Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:
Of zijdy Jacobs zaad, zoekt geenen roem te halen
Voor God, omdat uw stam van Abram komt te dalen:
Omdat gij zijt besneên, noch steunt niet op de Wet,
Maar door 't geloove uw hope op Jezus Kristus zet.
In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,
Als in een tafereel, ook aller dingen ende
Wordt levende afgemaald, en naakt gesteld ten toon,
Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,
Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo heilig,
Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig.
Ziet vrij Jeruzalem eens met opmerken aan:
Gij ziet de wereld met haar vesten ondergaan,
En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.
Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,
Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,
Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog;
Wat mag het baten, als de jongste dag der dagen
Komt steuren 's werelds feest met alderhande plagen?
Als God zich rust ten strijd, en dat men 't Kristendom
Als in slagoorde vind tweespaltig
[409] staan alom,
Rijk tegen rijk gekant, en dat d' hoofdstoffen stuiten
Nature in haren loop, en gaan haar ampt te buiten?
Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,
Het kerkhof mest, en 't land alsins met dooden dekt?
Wanneer de zee verlaat haar palen niet om temmen
[410],
Te lande berst en briescht, en op de baren zwemmen
De menschen doet en 't vee? wanneer het aardrijk beeft,
En uit den afgrond looit
[411], en een gehuil opgeeft,
En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsen
De steen, die hangende aan 't gebergte elk wilden trotsen?
Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,
Zijn sterren strooit, de maan haar zilvren pruik ontvalt,
De zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,
Den Æther uitberst, en de wereld stelt in vlammen?
Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,
En met bazuingeklank verwekken uit het graf,
En dagen voor 't gericht de dooden lang ontslapen,
En zamelen 't gebeent': de baren zullen gapen,
En braken lijven uit, die schuurden haren grond,
En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.
Het aardrijk zal zijn doôn, de zee haar lijken geven,
En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.
De Cæsars zullen uit haar tomben hemelwaart,
Een grooter Cæsar zien, en vluchten, al vervaard
Voor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:
"Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!
Ons schepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!
Wat vierschaar spant men hier? wie kan voor hem bestaan!"
't Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:
"Dit 's hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;
Dit is hij, die betrad de dorpels van ons huis,
En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan 't kruis!
Waar bergen wij ons ziel?" het dun getal der vromen,
Dat Kristus door 't geloov' heeft vrolijk
[412] aangenomen,
En 's werelds pracht versmaad, en had om zijnen naam,
Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,
Maar ramp en tegenspoed: ja, wierd vaak vander eerden
Verdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden:
Dat Kristen hoopken zal, ter rechterhand vooraan
Geplaatst, zijn lichten
[413] blijde op zijnen Heiland slaan,
En vliegen hemelwaart naar boven, als 't zal hooren
Die vreugderijke stem: "Komt hier, mijn uitverkoren!"
En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,
Verzellen gaan om hoog den tweeden Salomon:
Die, om elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,
Is op geen stoel van goud en elpenbeen gezeten,
Maar in de wolken bralt, met genoten majesteit
Als Ezaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:
Bralt, zegge ik, op een troon, die van de Serafijnen
Gedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,
En werpen straal op straal; ziet, hoe verbaasd voor hem
De goddelooze vliên dees donderende stem:
"Vervloekte, gaat van mij!" 't berouw komt hier te spade:
Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:
Ziet, hoe al 't helsche spook, met zeldzaam gekrioel,
Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.
Ziet, hoe Beëlsebub zijn kerkers en zijn holen
Met zwavel propt, en met onlesschelijke
[414] kolen,
En pijnt de naakten met een endelooze dood:
Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schoot
Gewenschte rust geniet, en in den Paradijze
't Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.
Gij, bondgenooten Gods! gaat in, door de enge poort,
Naar deze bruilofts feest, en blijdschap nooit gehoord,
En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt nooden
Tot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:
Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,
Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raad
Gehoorzaam zijn, na dat 't getal vervuld zal wezen
Der Heidenen, die God en 's werelds Heiland vreezen.