WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Rome cover

De drie steden: Rome

Chapter 11: ELFDE HOOFDSTUK
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A traveling priest arrives in Rome after a long journey and moves through its streets, encountering both modern thoroughfares and ancient monuments. The narrative records his vivid visual and sensory impressions — shifting light and shadow, architectural contrasts, crowded promenades and quiet alleys — and follows his growing curiosity and emotional response as the city's layered topography and history reveal tensions between past grandeur and present life.

ELFDE HOOFDSTUK

Hoewel Pierre wist, dat hij zich niet voor elf uur bij kardinaal Sanguinetti kon laten aandienen, was hij toch met een vroegen trein gegaan en stapte reeds om negen uur aan het station Frascati uit. Reeds was hij er op een van zijn dagen van gedwongen nietsdoen geweest en had het klassieke uitstapje naar de Romeinsche Kasteelen gemaakt, die van Frascati naar Rocca di Papa en van Rocca di Papa naar Monte Cave loopen. Hij was er verrukt over geweest en verheugde zich thans reeds bij voorbaat op een kalmeerende wandeling van een paar uur op de dichtstbijzijnde heuvels van de Albaansche bergen, waarop Frascati tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden gebouwd is. Het beheerscht de uitgestrekte rosachtige zee van de Campagna als van de hoogte van een voorgebergte, tot aan het in de verte liggende Rome, dat op een afstand van zes mijlen wit schittert als een eiland van marmer.

O, dit op zijn groenen ronden heuvel liggende Frascati aan den voet van de dichtbegroeide hoogten van Tusculum, met zijn beroemd terras, vanwaar men het mooiste uitzicht der wereld heeft, met zijn oude patriciërsvilla’s met de trotsche, elegante Renaissancegevels en prachtige, altijd groene, met cypressen, pijnboomen en eiken beplante tuinen! Het was een heerlijkheid, een oogenlust, een betoovering, die hij nooit moede zou worden. In verrukking over alles dwaalde hij reeds meer dan een uur langs de met oude, knoestige olijfboomen omzoomde wegen, langs de door groote boomen van de naburige tuinen beschaduwde straten, langs de geurige voetpaden, aan het einde waarvan bij iederen bocht de Campagna zich in het oneindige uitstrekte, toen hij een onverwachte ontmoeting had, die hem in den beginne hinderde.

Hij was weer naar het lager gelegen station gegaan, dat gebouwd was op een plek, waar vroeger wijngaarden stonden en zich in de laatste jaren een geheele nieuwe wijk ontwikkeld had. Tot zijn groote verbazing zag hij een mooie, met twee paarden bespannen victoria, die uit de richting van Rome kwam, naast zich stilhouden en hoorde hij zich bij zijn naam roepen.

“Wat, mijnheer de abbé, al zoo vroeg op de wandeling hier?

Nu herkende hij graaf Prada, die, na uitgestapt te zijn, het rijtuig verder liet rijden en de twee- of driehonderd meter naast den jongen priester te voet aflegde. Na een hartelijken handdruk zeide hij:

“Ja, ik kom zelden met den trein, ik prefereer een rijtuig. Dat geeft tevens mijn paarden wat beweging … Zooals u weet, heb ik hier zaken, een heele bouwgeschiedenis, die ongelukkig niet erg marcheert. Daarom ben ik ondanks het ver gevorderde seizoen verplicht hier meer te komen dan mij lief is.”

Pierre kende inderdaad die geschiedenis. De Boccanera’s hadden hun prachtige villa, die een van hun voorvaderen, ook een kardinaal, hier in de tweede helft der zestiende eeuw naar een ontwerp van Giacomo della Porta had laten bouwen, moeten verkoopen. Het was een koninklijk zomerverblijf met groote, schaduwrijke boomen, priëelen, fonteinen, bassins en een wereldberoemd terras, dat als een kaap uitstak boven de Campagna romana, welker onmetelijke vlakte zich van de Sabijnsche bergen tot aan de kust der Middellandsche Zee uitstrekt. Bij de boedelscheiding kreeg Benedetta van haar moeder de groote wijngaarden bij Frascati; zij had die als bruidsschat voor Prada medegebracht juist op het oogenblik, dat de bouwmanie van Rome naar de provincies oversloeg. Prada was toen op het denkbeeld gekomen hier een groote wijk burgerlijke villa’s neer te zetten naar het model van die, welke men in de banlieue van Parijs zooveel vindt. Doch er hadden zich maar weinig koopers aangemeld, de financieele krach was er bovendien tusschen gekomen, en zoo moest hij deze onfortuinlijke onderneming liquideeren, nadat hij dadelijk bij hun scheiding zijn vrouw schadeloos gesteld had.

“En bovendien,” ging hij voort, “met een rijtuig kan je komen en gaan, wanneer je wilt, terwijl je een slaaf van het spoorboekje bent. Zoo heb ik vanochtend een conferentie met aannemers, deskundigen en advocaten, en ik weet niet hoe lang die duren zal … Een prachtige streek, niet waar? Ja, we kunnen er trotsch op zijn. En al heb ik op het oogenblik minder aangename zaken, dat neemt niet weg, dat ik hier niet komen kan, zonder dat mijn hart van vreugde klopt.”

Wat hij echter niet vertelde, was dat Lisbeth Kauffmann, zijn vriendin, zooals hij haar noemde, den zomer doorgebracht had in een der nieuwe villa’s, waarin zij haar atelier had ingericht, dat bezocht werd door de geheele vreemdelingenkolonie, die dank zij haar vroolijkheid en haar schilderkunst, welke juist voldoende was, om haar onafhankelijk te maken, haar dubbelzinnige positie na den dood van haar man duldde. Zelfs haar zwangerschap nam men haar niet kwalijk. Veertien dagen geleden was zij naar Rome teruggegaan, om daar van een dikken jongen te bevallen, wiens komst de praatjes over de naderende scheiding van Benedetta en Prada in de zwarte en witte salons weer aangewakkerd had. De liefde van dezen laatste voor Frascati was ongetwijfeld grootendeels een gevolg van zijn teedere herinneringen en de groote trotsche vreugde, welke deze geboorte van een zoon hem gaf.

Pierre, die in zijn instinctieven haat tegen hebzuchtige geldmenschen, in Prada’s tegenwoordigheid steeds een zekere verlegenheid voelde, wilde toch zijn vriendelijkheid beantwoorden en vroeg hem naar zijn vader, den ouden Orlando, den held van de verovering.

“O, afgezien van zijn beenen, maakt hij het uitstekend. Hij wordt zeker honderd jaar. Die arme vader! Ik had hem zoo graag dezen zomer in een van die kleine villa’s willen hebben. Maar hij wil niet, hij weigert hardnekkig Rome te verlaten, alsof hij bang is, dat ze het hem in zijn afwezigheid zullen ontnemen.”

Hij barstte in een helderen lach uit en maakte zich alleen vroolijk met die grap over den heldhaftigen, uit de mode geraakten tijd der onafhankelijkheid. Dan voegde hij eraan toe:

“Gisteren sprak hij nog over u, mijnheer de abbé. Het verwonderde hem, dat u hem nog niet eens was komen opzoeken.”

Dat verdriette Pierre, want hij had voor Orlando een eerbiedige liefde opgevat. Tweemaal was hij na zijn eerste bezoek nog bij hem geweest, en beide malen had de oude man geweigerd over Rome te spreken, zoolang zijn jonge vriend niet alles gezien, alles doorvoeld, alles begrepen had. Later, wanneer zij beiden tot een conclusie zouden kunnen komen, zou het pas tijd daarvoor zijn.

“Zeg hem als het u blieft, dat ik hem niet vergeet, en dat ik, wanneer ik met mijn bezoek wat wacht, ik dat alleen doe, om hem tevreden te stellen. Maar ik zal niet vertrekken, zonder hem te komen zeggen, hoe ik door zijn ontvangst getroffen ben.”

Beiden liepen langzaam den zwak stijgenden weg op tusschen enkele nieuwe villa’s, waarvan verscheidene nog niet afgebouwd waren. Toen Prada hoorde, dat de priester naar Frascati gekomen was, om een bezoek te brengen aan kardinaal Sanguinetti, begon hij weer te lachen—zijn vriendelijk wolfslachje, dat zijn witte tanden liet zien.

“Dat is zoo, hij is hier, sedert de paus ziek is … Nu, u zult hem in een aardig opgewonden toestand vinden.”

“Hoe zoo?”

“Omdat de berichten over de gezondheid van den Heiligen Vader alles behalve goed zijn van ochtend. Toen ik uit Rome ging, liep het gerucht, dat hij een heel slechten nacht gehad had.”

Hij was bij een kromming van den weg blijven staan, voor een oude kapel, een klein kerkje, dat eenzaam en triest aan den rand van een olijfboschje stond. Vlak daarbij bevond zich een vervallen gebouwtje, ongetwijfeld de vroegere pastorie, waaruit een groote, knokige priester met een plomp, aardkleurig gezicht kwam, die, voor hij verder ging, de deur op het nachtslot draaide.

“Kijk!” spotte de graaf, “dat is er een, wiens hart even hard kloppen moet. Hij gaat nu ongetwijfeld bij uw kardinaal informeeren.”

Verbaasd had Pierre den priester aangekeken.

“Ik ken hem,” zeide hij. “Als ik mij niet vergis, heb ik hem den ochtend van mijn aankomst bij kardinaal Boccanera gezien, aan wien hij een mand vijgen bracht, toen hij hem om goede getuigen vroeg voor zijn jongeren broeder, die door het toebrengen van een messteek, geloof ik, in de gevangenis gekomen was. Maar de kardinaal heeft geweigerd zoo’n bewijs af te geven.”

“Hij is het, daar behoeft u niet aan te twijfelen, want hij kwam vroeger veel in den palazzo Boccanera, waar zijn broer tuinman geweest is. Maar tegenwoordig is hij de protégé van kardinaal Sanguinetti … Een merkwaardige figuur, die Santobono, zooals u ze in Frankrijk niet veel hebben zult. Hij woont heelemaal alleen in dat instortende gebouwtje en is pastoor van die heel oude kapel S. Maria dei Campi, waar men geen driemaal per jaar de mis komt hooren. Ja, een echte sinecure, die hem met zijn duizend francs salaris in staat stelt als een philosophische boer te leven en den vrij grooten tuin, die u daar tusschen die hooge muren ziet, te bebouwen.”

Inderdaad liep de ingesloten ruimte achter de pastorie om, aan alle kanten goed afgesloten, als een toevluchtsoord, waarin zelfs geen blik mocht doordringen. Boven den linkermuur uit zag men een prachtigen, reusachtigen vijgeboom, welks hoog loof zich zwart tegen den helderen hemel afteekende.

Onder het loopen vertelde Prada verder over Santobono, die hem blijkbaar zeer interesseerde. Een patriotisch priester, een Garibaldiaan. In Nemi, een nog woest gebleven hoek van de Albaansche bergen, uit het volk geboren, voelde hij zich ook nu nog aan de aarde verwant; maar hij had gestudeerd en wist genoeg van de geschiedenis, om de grootheid van Rome te kennen en van een herstel van het Romeinsche Rijk ten voordeele van het jonge Italië te droomen. Hij geloofde vast en zeker, dat slechts een groote paus dien droom zou kunnen verwezenlijken door zich van de macht meester te maken en dan alle andere volkeren te veroveren. Wat was eenvoudiger, daar de paus immers over millioenen Katholieken beschikte?

Was de helft van Europa niet van hem? Frankrijk, Spanje en Oostenrijk zouden toegeven, zoodra zij zagen dat hij machtig was en de wereld de wetten voorschreef. Duitschland en Engeland en alle Protestantsche naties zouden onvermijdelijk veroverd worden, daar het pausdom de eenige dam is, dien men tegen de dwaling kon oprichten en waartegen deze zich eenmaal te pletter zou loopen. Desniettemin had hij zich op politiek gebied voor Duitschland verklaard, want hij meende, dat Frankrijk verpletterd moest worden, om zich in de armen van den Heiligen Vader te werpen. Zoo botsten in dit warhoofd, waarin de gedachten brandden, en door de aangeboren ruwheid van het ras gauw tot geweld overgingen, al die tegenstrijdige ideeën en dolzinnige phantasieën tegen elkaar. Hij was een barbaar uit het Evangelie, een vriend van de nederigen en armen, een lid van de familie van die geëxalteerde sectarissen, die tot groote deugden en tot groote misdaden in staat zijn.

“Ja,” ging Prada voort, “hij heeft zich nu met hart en ziel aan kardinaal Sanguinetti gegeven, omdat hij in dezen den grooten paus, den paus van morgen zag, die van Rome de eenige hoofdstad van alle volken moet maken. En ook dat gaat natuurlijk met een eerzuchtige bedoeling gepaard, misschien kan hij bijvoorbeeld den titel van kanunnik veroveren of zich bij de kleine onaangenaamheden, die het leven nu eenmaal medebrengt, laten helpen, zooals wanneer hij zijn broeder uit de gevangenis redden moet. Men zet zijn kans op een kardinaal, zooals men op een terno1 in een loterij zet; als de kardinaal er als paus uitkomt, win je een fortuin … Daarom ziet u hem daar met zulke groote passen loopen, hij wil zoo gauw mogelijk weten of Leo XIII sterven en zijn terno met Sanguinetti als paus eruit komen zal …”

“Gelooft u werkelijk, dat de paus zoo ziek is?” vroeg Pierre ongerust.

“Wie kan dat zeggen?” antwoordde de graaf glimlachend. “Zij zijn allemaal ziek, wanneer ze daar belang bij hebben. Maar ik geloof wel, dat hij ziek is, een ingewandsstoring zegt men, en op zijn leeftijd kan de minste ziekte noodlottig worden.”

Zwijgend liepen zij eenige passen verder; dan vroeg Pierre weer:

“Zou dan, wanneer de Heilige Stoel vacant mocht worden, kardinaal Sanguinetti groote kans hebben?”

“Groote kans! Groote kans! Dat is ook weer een van die dingen, die niemand weet. Waar is, dat hij tot de mogelijke candidaten behoort; en wanneer het verlangen om paus te worden voldoende was, dan zou Sanguinetti zeker de toekomstige paus zijn, want de eerzucht verteert hem tot op zijn beenderen. Het is zelfs zijn groote zwakheid, want hij raakt uitgeput en hij voelt dat. Hij moet dan ook voor de laatste dagen van den strijd tot alles besloten zijn. U kunt er zeker van zijn, dat, wanneer hij zich op dit kritieke oogenblik hier teruggetrokken heeft, hij dat alleen doet, om van verre beter den strijd te leiden.”

En hij weidde verder uit over Sanguinetti, voor wien hij om zijn intriges, zijn grimmigen veroveringslust en zijn buitengewoon groote activiteit een zekere sympathie koesterde. Hij had hem na zijn terugkeer van de nuntiatuur te Weenen leeren kennen als iemand, die buitengewoon ervaren en toen reeds vast besloten was de hand op de tiara te leggen. Deze eerzucht verklaarde alles, zijn oneenigheden en zijn verzoeningen met den regeerenden paus, zijn liefde voor Duitschland, die door een plotselinge zwenking naar Frankrijk gevolgd werd, zijn wisselende houding ten opzichte van Italië: eerst het verlangen naar een goede verstandhouding, dan een volmaakte intransigentie, waarbij hij van geen concessie wilde hooren, zoolang Rome niet ontruimd was. Daaraan scheen hij te willen blijven vasthouden, want hij deed, alsof hij de politiek van Leo XIII betreurde en een gloeiende bewondering koesterde voor Pius IX, den grooten, heldhaftigen paus van het verzet, wiens goed hart een onwankelbare vastheid van wil niet buitensloot. Dat moet beteekenen, dat hij in de Kerk, die van geen gevaarlijk, politiek schipperen mocht weten, de gulle eenvoudigheid zonder zwakheid zou herstellen. Toch droomde hij in den grond der zaak van niets dan politiek, hij moest al een heel programma opgemaakt hebben, dat hij opzettelijk vaag hield, maar dat door zijn beschermelingen en protégés met een soort mysterieuse extase verspreid werd.

Sedert een vorige ongesteldheid van den paus, die reeds van het voorjaar dateerde, leefde hij in een doodelijke ongerustheid, want het gerucht ging, dat de Jezuïeten, hoewel kardinaal Boccanera volstrekt niet op hun hand was, er zich bij neergelegd hadden dezen te steunen. Ongetwijfeld was deze laatste overdreven en gevaarlijk vroom in deze eeuw van verdraagzaamheid; maar behoorde hij niet tot het patriciaat, zou zijn verkiezing niet een teeken zijn, dat het pausdom nooit af zou zien van de wereldlijke macht? Van dat oogenblik af was Boccanera in de oogen van Sanguinetti de meest te duchten man geworden; hij leefde bijna niet meer, voelde zich reeds beroofd, bracht zijn tijd met niets anders door dan met het zoeken naar combinaties, om zich van dien almachtigen tegenstander te ontdoen. Hij ontzag zich niet de lasterpraatjes te verspreiden, dat kardinaal Boccanera Benedetta en Dario één bed liet deelen, hield niet op hem af te schilderen als den Antichrist, wiens regeering de vernietiging van het pausdom ten gevolge zou hebben.

Zijn laatste combinatie, om zich den steun der Jezuïeten te verzekeren, was, dat hij door zijn vrienden liet uitbazuinen, dat hij niet alleen het principe van de wereldlijke macht zou hooghouden, maar dat hij zich verbond die macht weer te heroveren. Hij had daarvoor al een heel plan, dat men elkaar in het oor fluisterde—een ondanks enkele schijnbare concessies tot een zekere overwinning leidend, in zijn resultaten verpletterend plan: hij wilde den Katholieken niet langer verbieden te stemmen en candidaten te zijn, naar de Kamer honderd, dan tweehonderd, eindelijk driehonderd leden zenden, vervolgens de monarchie van Savoye van den troon stooten, om een soort reusachtige federatie der Italiaansche provincies te vormen, waarvan de alsdan weer in het bezit van Rome gekomen paus de verheven en souvereine voorzitter worden zou.

Toen Prada met zijn verhaal gereed was, begon hij weer te lachen, terwijl hij zijn witte tanden liet zien, die er al heel weinig uitzagen, om een buit los te laten.

“U ziet, dat wij ons goed verdedigen moeten, want hij wil er ons uitwerpen. Gelukkig bestaan er nog hinderpalen voor dergelijke dingen. Maar zulke phantasieën hebben toch altijd een grooten invloed op sommige overspannen geesten zooals op dien van Santobono bijvoorbeeld. Dit is er een, dien Sanguinetti zou kunnen brengen waar hij wil … Hij heeft goede beenen. Kijk eens naar boven. Hij is al bij het kleine paleis van den kardinaal, die heele witte villa met gebeeldhouwde balkons.”

Inderdaad zag men het kleine paleis, een der eerste huizen van Frascati, een modern gebouw in Renaissance-stijl, dat uitzag op de uitgestrekte vlakte der Campagna romana.

Het was elf uur en toen Pierre afscheid nam van den graaf, om zelf zijn opwachting te gaan maken bij den kardinaal, hield de graaf de hand van den jongen priester een oogenblik in de zijne.

“Als u mij een genoegen wilt doen, dan moet u met mij dejeuneeren … Wilt u? Kom dan, zoodra u vrij bent, in het restaurant daar met dien rozen gevel. Binnen een uur ben ik klaar met mijn zaken en ik zou het prettig vinden, als ik niet alleen behoefde te dejeuneeren.”

Eerst weigerde Pierre, maar hij kon geen enkel geldig excuus vinden, zoodat hij eindelijk moest toegeven, ondanks zichzelf door de vriendelijke manieren van Prada ingepalmd. Pierre behoefde slechts een straat door te loopen, om bij het paleis van den kardinaal te komen. Deze was altijd makkelijk te naderen, deels uit een behoefte om zich te uiten, deels uit berekening, omdat hij gaarne den populairen man uit wilde hangen. Vooral te Frascati gingen de deuren wijd open, zelfs voor de eenvoudigste soutane. De jonge priester werd dan ook dadelijk toegelaten; hij was over die ontvangst een weinig verbaasd, daar hij zich nog den slecht geluimden knecht te Rome herinnerde, die hem de reis afgeraden had, daar Zijne Eminentie er niet van hield gestoord te worden, wanneer hij ziek was. Maar in werkelijkheid was er geen sprake van ziekte, want alles in die vriendelijke, door zon overstroomde villa glimlachte en glansde. De wachtkamer, waarin men hem alleen gelaten had, was met afschuwlijk rood fluweelen meubelen voorzien en zonder eenige luxe of comfort; maar zij werd opgevroolijkt door het mooiste licht der wereld en zag uit op die buitengewone, zoo kale en vlakke Campagna, die in de voortdurende luchtspiegeling van het verleden een onvergelijkelijke droomschoonheid bezat. Hij ging dan ook, in afwachting, dat hij bij den kardinaal toegelaten zou worden, voor een der wijd openstaande en op het balkon uitkomende ramen staan kijken naar de eindelooze zee van weiden tot aan het in de verte wit schemerende Rome, waarboven de dom van de St. Pieter als een kleine fonkelende vlek, niet grooter dan de nagel van een pink, uitstak.

Hij stond er nauwlijks, toen enkele woorden van een gesprek, dat blijkbaar in de nabijheid gevoerd werd, duidelijk tot hem doordrongen. Hij boog zich wat voorover en begreep al heel gauw, dat het Zijne Eminentie zelf was, die op een balkon er naast met een priester, van wiens soutane hij slechts een stukje zag, stond te praten. Maar hij had onmiddellijk Santobono herkend. Zijn eerste opwelling was zich uit discretie te verwijderen, doch dan bleef hij door de woorden, die hij opving, toch staan.

“Wij zullen het dadelijk hooren,” zeide Zijne Eminentie met zijn brommende stem. “Ik heb Eufemio naar Rome gestuurd. Hij is de eenige, dien ik vertrouwen kan. Daar komt de trein al.”

Inderdaad was op de uitgestrekte vlakte een trein te zien, klein nog als een stuk kinderspeelgoed. Blijkbaar was kardinaal Sanguinetti op het balkon gaan staan, om ernaar te kijken.

Santobono sprak hartstochtelijk eenige woorden, die Pierre slechts half verstaan kon. Maar onmiddellijk daarop ging de kardinaal duidelijk voort.

“Ja zeker, mijn waarde, een catastrophe zou een groot ongeluk zijn. Moge God Zijne Heiligheid nog lang voor ons sparen …”

Hij hield even op en voltooide dan, daar hij niet huichelen kon, zijn gedachte.

“Tenminste in dit oogenblik, want het is een slechte tijd. Ik leef in verschrikkelijken angst, want de aanhangers van den Antichrist hebben in den laatsten tijd veel terrein gewonnen.”

Een kreet ontsnapte Santobono.

“O, Uwe Eminentie zal handelen, zal overwinnen!”

“Ik, mijn waarde? Maar wat wil je, dat ik doe? Ik stel mij slechts ter beschikking van mijn vrienden, van hen, die, alleen voor den triomf van den Heiligen Stoel, in mij gelooven. Zij moeten handelen, een ieder moet naar de krachten, die hem gegeven zijn, medewerken om den slechten den weg te versperren, zoodat de goeden overwinnen … O, als de Antichrist regeert …”

Dit ook nu weer terugkeerend woord “Antichrist” maakte Pierre ongerust. Plotseling herinnerde hij zich, wat de graaf hem gezegd had: de Antichrist was kardinaal Boccanera.

“Stel je voor, mijn waarde, de Antichrist op het Vaticaan! Hij zal met zijn onverzoenlijken trots, met zijn ijzeren wil, met zijn krankzinnigen zucht naar het Niet de verwoesting van den godsdienst voltooien; want er is geen twijfel mogelijk; hij is het door de profetieën voorspelde beest des doods, dat in zijn woesten loop naar de donkerte van den afgrond alles met zich dreigt te verslinden. Ik ken hem; hij heeft geen ander ideaal dan hardnekkig volhouden en vernietigen; hij zal de zuilen van den tempel omvatten en ze schudden en uit haar voegen rukken, om zich en het geheele Katholicisme daaronder te begraven. Ik geef hem geen zes maanden, dan is hij al uit Rome verjaagd, in onmin met alle volkeren, vervloekt door Italië, en sleept het wandelende spook van den laatsten paus door de wereld.”

Een dof gebrom, een gesmoorde vloek van Santobono was het antwoord op deze vreeselijke voorspelling. Maar de trein was aan het station aangekomen, en onder de weinige reizigers, die uitstapte, zag Pierre een kleinen abbé, die zoo hard liep, dat zijn soutane tegen zijn kuiten sloeg. Het was abbé Eufemio, de secretaris van den kardinaal. Toen hij dezen op het balcon zag staan, liet hij alle voorzichtigheid varen en begon hij hard de hellende straat af te loopen.

“Ha, daar is Eufemio!” riep Zijne Eminentie bevend van angst uit. “Eindelijk zullen we het weten! Eindelijk zullen we het weten!”

De secretaris was zoo hard de trappen opgevlogen, dat Pierre hem bijna onmiddellijk daarna ademloos door de wachtkamer zag stormen en in het vertrek van den kardinaal verdwijnen. Deze had het balkon verlaten, om zijn boodschapper tegemoet te gaan; maar dadelijk kwam hij er onder drukke vragen en haastige antwoorden weer terug.

“Dus het is zoo, hij heeft een slechten nacht gehad. Zijne Heiligheid heeft geen oog dicht gedaan … Kolieken, zeggen ze? Maar dat kan op zijn leeftijd binnen twee uur den dood beteekenen … En wat zeggen de doktoren?”

Het antwoord drong niet tot Pierre door, maar hij kon het opmaken uit de woorden van den kardinaal:

“O, die doktoren weten nooit wat! Trouwens, wanneer zij niets meer zeggen willen, beteekent dit, dat de dood niet ver meer is … Lieve God, wat een ramp, wanneer de catastrophe niet enkele dagen uitgesteld kan worden!”

Hij zweeg en Pierre voelde, hoe de oogen van den kardinaal weer rustten op Rome, hoe hij met al zijn eerzuchtigen angst staarde naar den dom van de St. Pieter, de kleine, fonkelende plek, niet grooter dan de nagel van een pink, te midden van de eindelooze, rossige vlakte. Welk een onrust, welk een opwinding, als de paus dood was. Hij had niets liever gewild dan zijn arm uitstrekken, om de Eeuwige Stad, de Heilige Stad, die aan den horizont niet meer plaats innam dan een door een kinderschop neergegooide hoop kiezelzand, in de holte van zijn hand te nemen. Reeds droomde hij van het conclave, wanneer de troonhemels van de andere kardinalen zouden dalen en de zijne alleen, onbeweeglijk en majestueus hem met het purper zou kronen.

“Maar je hebt gelijk, mijn waarde,” riep hij uit, “we moeten handelen, het is voor het heil van de Kerk … En bovendien, het is niet mogelijk, dat de hemel niet met ons is, die alleen zijn triomf willen. Als het moet, zal hij op het uiterste oogenblik den Antichrist weten te verpletteren.”

Toen voor het eerst verstond Pierre duidelijk Santobono, die met een ruwe stem en woeste vastberadenheid zeide:

“O, als de hemel talmt, zullen wij hem helpen!”

Dat was alles; daarna hoorde hij niets meer dan een verward gemompel. Het balkon was leeg en Pierre begon weer te wachten in den zonnigen, kalmen en kostelijk-vroolijken salon. Plotseling ging de deur van de studeerkamer wijd open en diende een knecht hem aan. Tot zijn verwondering vond hij den kardinaal alleen, zonder dat hij de beide priesters had zien vertrekken: zij waren door een andere deur weggegaan.

In het heldere licht stond de kardinaal met zijn blozend gezicht, zijn grooten neus, zijn dikke lippen en zijn ondanks zijn zestig jaren jeugdig-flinke en krachtige gestalte bij een der ramen. Om zijn lippen speelde weer het vaderlijk glimlachje, waarmede hij uit politiek zelfs de meest eenvoudige menschen ontving. Zoodra Pierre gebogen en zijn ring gekust had, wees hij hem een stoel aan.

“Ga zitten, mijn zoon, ga zitten … Ja, ge komt voor die ongelukkige geschiedenis met uw boek. Ik ben heel blij daar eens met u over te kunnen praten.”

Zelf was hij ook gaan zitten bij het op Rome uitziend raam, waarvan hij zich niet scheen te kunnen verwijderen. Toen de priester zich verontschuldigde, dat hij hem in zijn rust kwam storen, merkte hij op, dat de kardinaal nauwlijks naar hem luisterde, doch zijn blikken weer strak gericht hield op den zoo vurig begeerden buit. Toch behield hij den uiterlijken schijn, alsof hij een en al aandacht was, en Pierre was verwonderd over de wilskracht, die deze man moest hebben, om zoo kalm en belangstellend in de zaken van anderen te schijnen, terwijl zoo’n stormwind in hem loeide.

“Uwe Eminentie is dus wel zoo goed, mij niet kwalijk te nemen …”

“Integendeel, u hebt er heel goed aan gedaan hier te komen, nu mijn gezondheidstoestand mij vooreerst nog wel zal beletten naar Rome terug te gaan … Ik voel me al wat beter, en het is heel natuurlijk, dat u mij inlichtingen geven, uw boek verdedigen en mijn oordeel wat verhelderen wilt … Ik heb me er zelfs al over verwonderd, dat ik u niet eerder gezien heb, want ik weet, dat uw geloof krachtig is en dat u geen moeite ontziet, om uw rechters te bekeeren … Spreek, mijn zoon, ik luister naar u met al de vreugde, die het mij geven zou, als ik u vrij zou kunnen spreken.”

Pierre liet zich door die welwillende woorden vangen. Een nieuwe hoop ontwaakte in hem, dat hij den almachtigen praefect van den Index voor zich zou kunnen winnen. Hij beschouwde dezen voormaligen nuntius, die eerst te Brussel en later te Weenen de wereldlijke kunst geleerd had menschen tevreden van zich te laten gaan, door hun alles te beloven, maar nooit iets te doen, reeds als hoogst intelligent en buitengewoon goedhartig. Nog eenmaal vond hij dan ook zijn apostelgeestdrift terug, om zijn denkbeelden over het Rome van morgen, het Rome van zijn droomen, dat opnieuw de meesteres der wereld worden zou, wanneer het tot het Christendom van Jezus, tot de vurige liefde voor armen en nederigen zou terugkeeren.

Sanguinetti glimlachte, schudde zacht zijn hoofd en riep verrukt uit:

“Heel goed, heel goed! Voortreffelijk!… Ik denk als gij, mijn waarde zoon. Meer kan ik niet zeggen … Maar u bent hier in gezelschap van alle goede geesten.”

Bovendien werd hij zeer getroffen door den poëtischen kant der zaak, zooals hij zeide. Ongetwijfeld uit rivaliteit ging hij, evenals Leo XIII, graag voor een goed Latinist door; vooral voor Virgilius had hij een bijzondere liefde opgevat.

“Ik weet het, ik weet het … o, ik heb die passage over de terugkeerende lente, die de door den winter verstijfde armen komt troosten, wel driemaal gelezen. Weet u wel, dat uw boek vol Latijnsche wendingen is? Ik heb bij u meer dan vijftig uitdrukkingen genoteerd, die men in de Eclogae2 zou terugvinden. Een bekoorlijk boek, werkelijk bekoorlijk!”

Daar hij allesbehalve dom was en heel goed voelde, dat er in dezen eenvoudigen priester een groot intellect stak, begon hij langzamerhand belang te stellen—niet in hem, maar in het voordeel, dat hij misschien uit hem zou kunnen trekken. In zijn intrigenwoede was de eenige gedachte, die hem steeds bezig hield, uit anderen, uit de creaturen, die God hem toezond, alles te halen, wat zij medebrachten, dat nuttig kon zijn voor zijn eigen triomf. Hij wendde een oogenblik zijn blikken van Rome af en keek zijn bezoeker aan, luisterde naar hem, terwijl hij zich afvroeg, waarvoor hij hem wel òf dadelijk, in de crisis, die hij nu doormaakte, òf later, wanneer hij paus zou zijn, zou kunnen gebruiken. Maar de priester beging nogmaals de fout een aanval te doen op de wereldlijke macht van de Kerk en de ongelukkige woorden: “nieuwe godsdienst” uit te spreken.

De nog altijd glimlachende kardinaal viel hem met een gebaar in de rede, zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, ofschoon zijn reeds lang genomen besluit thans onherroepelijk vast stond.

“Zeker, mijn zoon, gij hebt op verscheidene punten groot gelijk, en ik ben het in vele opzichten volkomen met u eens. Maar zie eens, gij weet blijkbaar niet, dat ik hier de beschermer van Lourdes ben. Hoe kunt u na de passage, die u over de Grot geschreven hebt, willen, dat ik mij voor u en tegen de Paters uitspreek?”

Pierre werd door dit feit, dat hij inderdaad niet wist, geheel terneergeslagen. Niemand had de voorzorg genomen hem daaromtrent in te lichten. Te Rome hebben alle Katholieke werken als beschermers een door den Heiligen Vader daarvoor aangewezen kardinaal, die het moet vertegenwoordigen en zoo noodig als verdediger daarvan optreden moet.

“Die goede Paters!” ging Sanguinetti op zachten toon voort; “u hebt hun veel verdriet gedaan. Werkelijk, onze handen zijn gebonden en wij kunnen hun kommer niet nog grooter maken … Als u eens wist hoeveel missen zij ons zenden! Zonder hen zou meer dan één van onze arme priesters van honger sterven.”

Er bleef niets anders over dan zich erbij neer te leggen. Weer stootte Pierre op die geldquaestie, op die noodzakelijkheid, waarin de Heilige Stad zich bevond, om zijn budget in goede en slechte jaren te verzekeren. Altijd was het weer de slavernij van den paus, dien het verlies van Rome van de regeeringszorgen bevrijd had, maar de gedwongen dankbaarheid voor de ontvangen aalmoezen toch nog steeds aan de aarde bond. De behoeften waren zoo groot, dat het geld alles beheerschte, de souvereine macht was, waarvoor alles aan het Romeinsche Hof zich boog.

Sanguinetti stond op ten teeken, dat het onderhoud afgeloopen was.

“Maar wanhoop niet, mijn zoon,” ging hij met warmte voort. “Ik heb alleen maar over mijn eigen stem te beschikken, maar ik beloof u, dat ik rekening houden zal met de uitmuntende toelichting, die ge mij gegeven hebt … En wie weet? Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!”

Dat was zijn gewone taktiek; hij had als principe de menschen nooit tot het uiterste te drijven door ze zonder eenige hoop weg te zenden. Waartoe diende het hem te zeggen, dat de veroordeeling van zijn boek een fait accompli was en dat het de verstandigste weg zijn zou het te verloochenen? Alleen een woesteling als die Boccanera blies de woede over deze vurige zielen en zette ze daardoor nog meer tot verzet aan.

“Blijf hopen, blijf hopen!” herhaalde hij glimlachend, terwijl hij den schijn aannam, alsof hij zinspeelde op een menigte gelukkige dingen, die hij echter niet zeggen kon.

Diep ontroerd, voelde Pierre zich als het ware herleven. Hij vergat zelfs het gesprek, dat hij afgeluisterd had, de grimmige eerzucht, de doffe woede tegen den gevreesden mededinger. En bovendien kon bij de machtigen de geest niet de plaats van het hart innemen? Indien deze eenmaal paus was en alles begrepen had, zou hij dan niet de verwachte paus kunnen zijn, die de taak op zich nam de Kerk der Vereenigde Staten van Europa, de geestelijke heerscheresse der wereld, te organiseeren? Hij dankte hem ontroerd, boog en liet hem voor dit wijdgeopende raam, vanwaar Rome hem uit de verte in den glans der herfstzon tegenflonkerde als een kostbaar kleinood, de tiara van goud en edelgesteenten, over aan zijn droomen.

Het was bijna één uur, toen Pierre en graaf Prada eindelijk konden gaan dejeuneeren aan een der kleine tafeltjes van het restaurant, waar zij elkaar rendez-vous gegeven hadden. Beiden hadden zich door hun zaken verlaat. Maar de graaf scheen zeer opgewekt te zijn, daar hij moeilijke quaesties tot zijn voordeel geregeld had, terwijl de priester zelf, weer door nieuwe hoop vervuld, zich geheel overgaf aan de kostelijke levensvreugde van dezen laatsten mooien dag. Het dejeuner in de groote, lichte, in blauwe en rose tinten geschilderde, in dezen tijd van het jaar geheel verlaten zaal, was dan ook buitengewoon opgewekt. Amortjes vlogen over de zoldering, landschappen, die uit de verte aan de Romeinsche Kasteelen deden denken, versierden de muren. Zij aten alleen koude schotels en dronken den beroemden Frascatiwijn, die een brandenden grondsmaak had, alsof de vroegere vulkanen iets van hun vuur in den bodem achtergelaten hadden.

Langen tijd liep het gesprek over de Albaansche bergen, welker woeste gratie de vlakke Campagna Romana als een lust voor de oogen beheerscht. Pierre, die het klassieke uitstapje van Frascati naar Nemi gemaakt had, was nog onder de bekoring daarvan en sprak er met geestdrift over. Eerst kwam de heerlijke, langs de heuvelhellingen dalende en rijzende, tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden loopende weg van Frascati naar Albano, vanwaar af men voortdurend een prachtig uitzicht heeft op de eindeloosheid der Campagna. Links ligt wit het dorp Rocca di Papa amphitheatersgewijze op een ronden heuvel aan den voet van den door eeuwenoude groote boomen gekroonden Monte Cavo. Van af dat punt ziet men, als men zich weer omdraait in de richting van Frascati, hoog aan den rand van een pijnboombosch de ruïnen van Tusculum, groote rotsachtige ruïnes, door eeuwen van zon verbrand en vanwaar het onbegrensde uitzicht prachtig zijn moet. Vervolgens komt men door Marino met zijn groote, zacht hellende straat, zijn groote kerk, zijn oud, zwart geworden, half verweerd paleis der Colonna’s. Dan, na een steeneikenbosch rijdt men langs het Albaansche meer, dat een schouwspel biedt, zooals men er weinig vindt: tegenover zich, aan de overzijde van de onbeweeglijke, als een spiegel zoo gladde wateren, de ruïnen van Alba Longa links de Monte Cavo met Rocca di Papa en Palazzola; rechts Castel-Gandolfo, als van de hoogte van een steile kust het meer beheerschend. In den uitgedoofden krater sliep, als op den grond van een reusachtige, groene schaal, het meer zwaar en dood; het geleek op een tafel van gesmolten metaal, die de zon aan de eene zijde met goud vlamde, terwijl de andere in de schaduw liggende zijde zwart was.

Nu liep de weg vrij steil op naar Castel-Gandolfo, dat als een witte vogel tusschen het meer en de zee op zijn rots zit en steeds, zelfs gedurende de warmste zomeruren, door een briesje verfrischt wordt. Vroeger was het beroemd door zijn pauselijke villa, waarin Pius IX gaarne de warme dagen doorbracht, maar waar Leo XIII nooit geweest is. Daarna daalde de weg, begonnen de steeneiken weer, om hun grootte beroemde steeneiken, een dubbele rij van kolossen, twee- en driehonderdjarige monsters met knoestige ledematen. Eindelijk kwam men bij Albano, een kleine, minder reine en minder gemoderniseerde stad dan Frascati, een hoekje grond, dat nog iets van den geur van zijn vroegere woestheid behouden heeft. Dan kwamen nog Arricia met het paleis Chigi, met bosschen bedekte heuvels en bruggen, die over beschaduwde afgronden geslagen zijn; Gonzano en eindelijk nog Nemi, het eene nog meer afgelegen en woester dan het ander, verloren gaande tusschen rotsen en boomen.

O, dit Nemi, welk een onuitwischbare herinnering had Pierre daaraan behouden! Dit Nemi aan den oever van zijn meer, dit uit de verte zoo mooie, zoo betooverende Nemi, dat oude legenden en in het groen der mysterieuse wateren ontstane feeënsteden voor den geest riep. Doch wanneer men het eindelijk betreedt, is het afstootend vuil, stort overal in en wordt nog door den Orsinitoren beheerscht als door een boozen geest van den ouden tijd, die daar woeste zeden, heftige hartstochten en messteken in stand schijnt te houden. Vandaar kwam die Santobono, wiens broeder een moord gepleegd had en in wien zelf een moorddadige vlam scheen te branden, terwijl zijn misdadigersoogen gloeiden als een kolenvuur. En het meer—dit meer, rond als een in dezen krater, deze schaal, gevallen uitgedoofde maan! Deze schaal zag er nog dieper en smaller uit dan het Albaansche meer en was met boomen van wonderbaarlijke kracht begroeid. Pijnboomen, olmen, wilgen loopen in een groenen stroom van elkaar verstikkende takken tot aan den oever. Deze ontzaglijke vruchtbaarheid spruit voort uit de voortdurende waterdampen, die zich hier onder de brandende inwerking van de zon, wier stralen zich in dit hol als in een smeltoven ophoopen, ontwikkelen.

Het is een vochtige, zware warmte; de lanen der omliggende tuinen zijn met groen mos overdekt; dichte nevels vullen dikwijls ’s ochtends de reusachtige schaal met een witten damp als met een rookende heksenmelk van verdachte tooverkracht. Pierre herinnerde zich nog heel goed het onaangename gevoel, dat hem aangegrepen had bij het zien van het meer, waarin te midden van de bewonderenswaardige omgeving oude gruweldaden, een geheele geheimzinnige godsdienst met afschuwlijke gebruiken scheen te slapen. Hij had het bij het vallen van den avond in de schaduw van zijn gordel van bosschen gezien als een dof zwarte en zilveren metalen plaat, en dit heldere, maar zoo diepe water, dit verlaten water zonder een bark, dit doode, verheven, grafachtige water had in hem een onbeschrijflijke treurigheid, een doodelijke zwaarmoedigheid achtergelaten.

Het was de vertwijfeling der groote, eenzame bronstigheid, wanneer aarde en wateren door de stomme smart der kiemen in angstwekkende vruchtbaarheid opzwellen. O, die donkere, wegzinkende oevers, dat droefgeestige, zwarte meer, dat daar onder in de diepte rust!

Graaf Prada begon te lachen om dien indruk.

“Ja, ja, het is zoo, het Nemimeer is niet alle dagen vroolijk. Ik heb het bij somber weer gezien; het was loodkleurig, en zelfs de sterke zonnestralen kunnen er geen leven in brengen. Wat mij betreft, ik weet, dat ik van verveling zou sterven, wanneer ik tegenover dat kale water zou moeten leven. Maar het heeft een groote aantrekkingskracht voor dichters en romantische vrouwen, voor haar, die groote hartstochtelijke liefdes met tragische ontknoopingen aanbidden.”

Toen zij van tafel opgestaan waren, om op het terras een kop koffie te drinken, kwam het gesprek op een ander terrein.

“Gaat u vanavond naar de receptie van prins Buongiovanni?” vroeg de graaf. “Dat zal voor een vreemdeling een interessant schouwspel zijn en ik zou u aanraden het niet te verzuimen.”

“Ja, ik heb een uitnoodiging,” antwoordde Pierre. “Een van mijn vrienden, mijnheer Narcisse Habert, attaché aan ons gezantschap, heeft mij die bezorgd en zal er met mij heengaan.”

Inderdaad zou dien avond in den palazzo Buongiovanni op den Corso een groot feest gegeven worden, een van die galafeesten, zooals die slechts twee of driemaal per jaar plaats vinden. Er werd verteld, dat dit in pracht en praal alles overtreffen zou, want het werd gegeven ter eere van de verloving van Celia, het kleine prinsesje. Plotseling had de prins, zoo ging het gerucht, na eerst zijn dochter geslagen en zelf in een hevigen aanval van woede bijna een beroerte gekregen te hebben, toegegeven tegenover de kalme en zachte hardnekkigheid van het jonge meisje en toegestemd in haar huwlijk met luitenant Attilio, den zoon van minister Sacco; alle salons van Rome, zoowel de zwarte als de witte, waren er vol van.

Weer werd graaf Prada vroolijk.

“U zult iets schitterends zien, dat verzeker ik u. Ik ben erg blij voor mijn besten neef Attilio; hij is heusch een fatsoenlijke en charmante jongen. Voor geen geld ter wereld zou ik de entree van mijn waarden oom Sacco, die eindelijk de portefeuille van Landbouw gekregen heeft, in de oude salons der Buongiovanni’s willen missen. Dat zal werkelijk iets buitengewoons zijn. Vanochtend heeft mijn vader, die alles ernstig opneemt, mij gezegd, dat hij er den heelen nacht niet van heeft kunnen slapen.”

Hij hield op, om dadelijk weer verder te gaan:

“Luister eens, het is al half drie; u kunt geen trein krijgen voor vijf uur. Weet u wat u doen moest? Met mij naar Rome terugrijden!”

Maar Pierre wilde daar niet van hooren.

“Neen, neen, duizendmaal dank! Ik zou met mijn vriend Narcisse dineeren en mag niet te laat komen.”

“U zult niet te laat komen, integendeel! Wij rijden om drie uur af, dan zijn we voor vijven in Rome … Het is een prachtige rit met zonsondergang en ik verzeker u, dat die vandaag schitterend zal zijn.”

Hij drong zóó aan, dat de priester, door zooveel vriendelijkheid gewonnen, het voorstel wel moest aannemen. Zij praatten nog een uurtje gezellig over Rome, Italië en Frankrijk en liepen intusschen Frascati, waar de graaf nog een aannemer spreken wilde, even in. Toen het drie uur sloeg, reden zij eindelijk weg, naast elkaar zacht gewiegd op de kussens van de victoria, die in lichten draf door de twee paarden voortgetrokken werd. Inderdaad was deze terugrit naar Rome door de onmetelijke, kale Campagna onder den eindeloozen helderen hemel op dezen prachtigen herfstnamiddag verrukkelijk.

Maar eerst moest de victoria in vollen draf tusschen wijngaarden en olijfboomboschjes de hellingen van Frascati afrijden. De bestrate weg kronkelde sterk en was heel stil: nauwlijks zag men hier en daar een boer met een vilten hoed, een witten muilezel, een met een ezel bespannen karretje; alleen ’s Zondags was het vol in de kroegen en kwamen de handwerkslieden in de landhuisjes van den omtrek rustig hun geitenvleesch eten. Bij een kromming van den weg kwamen zij langs een monumentale fontein. Een groote kudde schapen belette de victoria een oogenblik verder te rijden. Op den achtergrond van de zachte golvingen der reusachtige rosachtige Campagna lag steeds het verre Rome in de violette avondnevels en scheen langzamerhand naar mate de victoria lager kwam, weg te zinken. Er kwam een oogenblik, dat het nog slechts een met den horizont evenwijdige, dunne, grijze streep vormde, die nauwlijks even wit gevlekt werd door de door de zon beschenen gevels. Dan verdween het in den grond, verdronk onder de deining der eindelooze velden.

De victoria rolde nu door de vlakte en liet de Albaansche bergen achter zich, terwijl rechts en links en vooruit de zee van prairiën en stoppels begon. Dan boog de graaf zich wat voorover en riep:

“Kijk, daar loopt onze man van vanochtend voor ons, Santobono in hoogst eigen persoon … Wat loopt die kerel, he? Mijn paarden zullen moeite hebben hem in te halen!”

Op zijn beurt boog Pierre zich nu uit de victoria. Het was inderdaad de pastoor van S. Maria del Campi in zijn lange zwarte soutane, groot en knokig en grof gebouwd. In het fijne licht der blonde zon vormde hij een harde inktvlek. Aan zijn rechterarm hing iets; een voorwerp, dat zij moeilijk onderscheiden konden.

Toen het rijtuig hem eindelijk ingehaald had, liet Prada den koetsier wat langzamer rijden, en knoopte een gesprek met den abbé aan.

“Dag, abbé! Hoe gaat het?”

“Heel goed, mijnheer de graaf. Dank u duizendmaal!”

“Waar loopt u zoo dapper naar toe?”

“Naar Rome, mijnheer de graaf!”

“Wat, zoo laat nog naar Rome?”

“O, ik ben er bijna even gauw als u. Ik zie niet op tegen een eindje loopen, en je spaart op die manier het reisgeld uit.”

Hij nam zijn passen wat grooter, zoodat hij het rijtuig bijhouden kon.

“Wacht, hij zal ons aangenaam bezig houden,” fluisterde Prada, die pleizier had in de ontmoeting, Pierre in.

Dan luid:

“Als u naar Rome gaat, kunt u net zoo goed instappen. Er is nog een plaatsje voor u.”

Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen.

“Heel graag, dank u duizendmaal … Dan verslijt ik gelijk mijn schoenen niet.”

Hij stapte in en ging op het klapbankje zitten, in een plotselinge opwelling van nederigheid de plaats, die Pierre hem beleefd naast den graaf aanbood, weigerend. Dezen hadden eindelijk in het voorwerp, dat hij droeg, een klein mandje met netjes naast elkaar gelegde en met bladeren bedekte vijgen herkend.

De paarden hadden den draf weer aangenomen en vlug rolde het rijtuig over den mooien, vlakken weg.

“Zoo, gaat u naar Rome?” vroeg de graaf weer, om den pastoor aan het praten te krijgen.

“Ja, ik ga Zijne Eerwaarde Eminentie, kardinaal Boccanera, deze vijgen, de laatste van het seizoen, brengen. Dat heb ik hem indertijd beloofd.”

Hij had het mandje, dat hij als iets zeldzaams en breekbaars, voorzichtig tusschen zijn groote, knokige handen hield, op zijn knieën gezet.

“O, de beroemde vijgen van uw vijgeboom! Dat is waar, zij zijn louter honig. Maar houd die mand toch niet op uw knieën. Geef maar hier, dan zet ik ze zoo lang in de kap.

Maar hij verdedigde ze, wilde er absoluut niet van scheiden.

“Duizendmaal dank, duizendmaal dank!… Die vijgen hinderen me heelemaal niet, zij staan hier heel goed; ik ben er tenminste nu zeker van, dat er niets mede gebeuren kan.”

Prada, die Pierre met zijn schouder een stootje gaf, had veel pleizier in dezen hartstocht van Santobono voor de vruchten van zijn tuin. Weer vroeg hij:

“En houdt de kardinaal veel van uw vijgen?”

“Ja, mijnheer de graaf, Zijne Eminentie is wel zoo goed ze heerlijk te vinden. Toen hij vroeger ’s zomers in Frascati logeerde, wilde hij ze van geen anderen boom eten. U begrijpt wel, dat ik, nu ik eenmaal zijn smaak ken, hem graag een pleizier doe.”

Maar hij had een zoo scherpen blik op Pierre geworpen, dat de graaf zich verplicht gevoelde ze aan elkaar voor te stellen.

“Mijnheer de abbé Froment logeert al een maand in den palazzo Boccanera.”

“Ik weet het, ik weet het!” zeide Santobono met de grootste kalmte. “Ik heb den abbé bij Zijne Eminentie gezien, toen ik de vorige maal vijgen bracht. Maar toen waren zij niet zoo rijp. Deze zijn prachtig.”

Hij wierp een liefdevollen blik op het mandje, dat hij nog steviger in zijn groote, met rosachtig haar bedekte vingers scheen te drukken. Er volgde een stilte. Dan vroeg, zonder eenigen overgang, heel plotseling Prada:

“En is de paus al dood, mijnheer de pastoor?”

Santobono schrok zelfs niet.

“Ik hoop, dat Zijne Heiligheid nog vele dagen tot heil der Kerk leven zal,” zeide hij eenvoudig.

“Dan hebt u vanochtend zeker goede berichten gehoord bij uw bisschop, kardinaal Sanguinetti?”

Ditmaal kon de pastoor een lichte rilling niet onderdrukken. Had men hem dan gezien? In zijn haast had hij ’s ochtends de twee wandelaars, die achter hem geloopen hadden, niet eens opgemerkt.

“O,” antwoordde hij, zich dadelijk herstellend, “we weten nooit precies of de berichten goed of slecht zijn … Het schijnt, dat Zijne Heiligheid een vrij slechten nacht heeft gehad, en ik hoop vurig, dat de volgende beter zijn zal.”

Hij scheen even na te denken en voegde er dan aan toe:

“Maar mocht God het oogenblik gekomen achten om Zijne Heiligheid tot zich te roepen, dan zou Hij zijn kudde niet zonder herder achterlaten, maar reeds den pontifex maximus van morgen aangewezen hebben.”

Dit antwoord scheen Prada nog vroolijker te maken.

“U bent buitengewoon naïef, abbé … Gelooft u heusch, dat de pausen zoo door Gods genade ontstaan? De paus van morgen wordt boven benoemd, niet waar? En nou wacht hij heel kalm af! Ik voor mij dacht, dat ook de menschen zich er wel eens mede bemoeiden … Maar misschien weet u reeds wie de door de goddelijke genade vooruit gekozen paus is!”

Hij ging met zijn goedkoope, ongeloovige grappen voort, die echter den priester volkomen kalm deden blijven. Hij begon zelfs te lachen, toen de graaf hem met een toespeling op den hartstocht, waarmede het speelzieke volk van Rome bij ieder conclave op den waarschijnlijk gekozene wedde, zeide, dat er voor hem een fortuin mede te winnen zou zijn, als hij het geheim van God kende. Dan spraken zij over de drie witte soutanes van verschillende grootte, die steeds in een kast van het Vaticaan hingen: zou men ditmaal de groote, de kleine of de middelste moeten gebruiken? Bij de minste ernstige ziekte van den regeerenden paus ontstond er een hevige opwinding, een opleven van alle eerzuchten, alle intriges, zoodat niet alleen in de zwarte kringen, maar in de geheele stad over niets anders gesproken, over niets anders gedacht werd dan over de kansen der kardinalen, die het meest in aanmerking kwamen. Aan voorspellingen omtrent den opvolger geen gebrek!

“Nu u het weet, moet u mij beslist zeggen, wie het is!” begon Prada weer. “Is het kardinaal Moretta soms?”

Ondanks zijn blijkbaren wil, om waardig en onpartijdig te blijven, zooals het een goed en vroom priester betaamt, wond Santobono zich langzamerhand op en liet hij zich door zijn hartstocht medesleepen. Dit uitvragen deed hem heelemaal zijn kalmte verliezen; hij kon zich niet meer inhouden.

“Moretta, kom nou. Die is aan heel Europa verkocht!”

“Kardinaal Bartolini dan?”

“Hoe komt u er bij?… Bartolini! Die heeft zijn geheele leven niets anders gedaan dan willen en nooit iets krijgen!”

“Dan zeker kardinaal Dozio?”

“Dozio! Dozio! Wanneer Dozio paus werd, zou het met onze Heilige Kerk gedaan zijn, want er bestaat geen lagere en hoogere geest dan hij!”

Prada haalde zijn schouders op, alsof hij nu geen ernstige candidaten meer kende. Hij schepte er een boosaardig genoegen in om kardinaal Sanguinetti, ongetwijfeld den candidaat van den pastoor, niet te noemen, om dezen nog meer op te winden. Dan scheen hij plotseling het ware getroffen te hebben en riep vroolijk:

“Ha, nu ben ik er achter. Ik weet uw man … Kardinaal Boccanera!”

Santobono was midden in zijn hart, in zijn wrok, in zijn patriotisch geloof getroffen. Reeds ging zijn vreeselijke mond open en wilde hij een krachtig: “Neen, neen!” roepen, maar het gelukte hem nog juist dien kreet in te houden; zwijgend hield hij op zijn knieën zijn geschenk, het kleine mandje vijgen, dat zijn handen tot brekens toe drukten; de krachtsinspanning, die hij zich getroosten moest, deed hem zóó beven, dat hij even wachten moest, voor hij kalm antwoorden kon:

“Zijne eerwaarde Eminentie kardinaal Boccanera is een vroom man, die den troon zeker waardig is; alleen zou ik bang zijn, dat hij in zijn haat tegen ons nieuw Italië een oorlog zou brengen.”

Maar Prada wilde de wonde nog erger maken.

“Maar dezen aanvaardt u tenminste toch! U houdt te veel van hem, om u niet over zijn kansen te verheugen. Ik geloof, dat we ditmaal dicht bij de waarheid zijn, want iedereen is overtuigd, dat het conclave geen anderen benoemen kan … Hij is heel lang, dus zal de groote witte soutane dienst moeten doen.”

“De groote soutane, de groote soutane,” bromde Santobono onwillekeurig, “wanneer ten minste niet …”

Hij voltooide zijn zin niet, was zijn hartstocht weer meester. Pierre, die zwijgend luisterde, was ten hoogste verwonderd, want hij herinnerde zich het gesprek, dat hij bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had. Blijkbaar waren de vijgen slechts een voorwendsel, om in den palazzo Boccanera te komen, waar een vertrouwde, abbé Paparelli ongetwijfeld, alleen zekere inlichtingen geven kon aan zijn ouden kameraad. Maar welk een zelfbeheersching bezat deze geëxalteerde!

De Campagna bleef aan beide zijden van den weg haar grasvlakten tot in het oneindige voortzetten; Prada, die ernstig geworden was en blijkbaar in gepeins was verzonken, keek ernaar, zonder echter iets te zien. Hardop zette hij zijn gepeins voort.

“Ik weet natuurlijk, wat men zeggen zal, als hij ditmaal sterft … Die plotselinge ongesteldheid, die kolieken, dat geheimzinnige zwijgen … Ja, zeker, vergif, net als bij alle anderen.”

Pierre schrok heftig. De paus vergiftigd!

“Wat, vergif? Alweer?” riep hij uit.

Ontzet keek hij de twee anderen aan. Vergif als in de tijden der Borgia’s, zooals in een romantisch drama! Het leek hem afschuwlijk en belachelijk tegelijk!

Santobono, wiens gezicht onbeweeglijk en ondoordringbaar geworden was, antwoordde niet. Maar Prada schudde zijn hoofd en het gesprek ging nu nog slechts tusschen hem en den jongen priester.

“Ja zeker, weer vergif … Te Rome is de vrees daarvoor nog steeds groot gebleven. Zoodra er voor een sterfgeval geen natuurlijke verklaring te geven is, zoodra dat wat plotseling of onder tragische omstandigheden plaats grijpt, is altijd de eerste gedachte, roept iedereen altijd eerst: “Vergif!” Voeg daarbij, dat er, voor zoover ik weet, geen enkele stad bestaat, waar zooveel plotselinge sterfgevallen voorkomen—waarom dat weet ik niet, koorts zegt men … Ja zeker, het vergif met zijn geheele legende, het vergif, dat doodt als een bliksemstraal en geen spoor achterlaat, het beroemde recept, dat van eeuw tot eeuw overgeleverd is—vanaf de keizers en de pausen tot in onze democratische dagen …”

Toch glimlachte hij ten slotte zelf een weinig skeptisch over dezen heimelijken, uit ras en opvoeding voortvloeienden angst. De Romeinsche matronen wisten zich indertijd door het vergif van een rooden pad te bevrijden van haar echtgenooten of minnaars. Locusta3 was praktischer en kookte een vergif van planten, waarschijnlijk den wolfswortel. Na de Borgia’s verkocht Toffana te Napels in met het beeld van den Heiligen Nicolaas van Bari versierde fleschjes een beroemd water, waarvan het hoofdbestanddeel ongetwijfeld arsenicum was. Er liepen verhalen omtrent naalden met plotseling doodende steken, omtrent een beker wijn, dien men vergiftigde door er een roos in te ontbladeren, omtrent een snip, die met een geprepareerd mes in tweeën gesneden werd en waarvan de vergiftigde helft een der beide dischgenooten doodde.

“Ik zelf heb in mijn jeugd een vriend gehad, wiens bruid op haar huwlijksdag in de kerk dood neergevallen is, alleen omdat zij aan een bouquet rook … Waarom zouden we dan niet gelooven, dat het beroemde recept werkelijk overgeleverd en aan eenige ingewijden bekend gebleven is.”

“Omdat de scheikunde te groote vorderingen gemaakt heeft,” antwoordde Pierre. “De ouden geloofden alleen aan mysterieuse giffen, omdat zij alle middelen voor analyse misten. Tegenwoordig zou het vergif der Borgia’s den onnoozele, die er zich van zou willen bedienen, regelrecht naar de rechtbank brengen. Het zijn allemaal bakerpraatjes en zelfs de eenvoudigste menschen dulden ze bijna niet meer in feuilletons.”

“Wat mij betreft,” zeide de graaf met een verlegen glimlachje, “wil ik graag toegeven, dat u gelijk hebt. Maar zeg datzelfde bijvoorbeeld eens aan uw gastheer, kardinaal Boccanera, die een ouden, hartelijk geliefden vriend van hem, monsignor Gallo, in zijn armen gehouden heeft, toen hij verleden jaar binnen twee uren stierf.”

“Een beroerte kan in twee uur doodelijk zijn, een slagadergezwel zelfs in twee minuten.”

“Dat is zoo, maar vraag hem eens, wat hij bij de lange rillingen, het loodkleurige gelaat, de holle oogen, het door angst vertrokken gelaat, waarin hij zijn vriend niet meer herkende, gedacht heeft. Hij is er ten volle van overtuigd, dat monsignor Gallo vergiftigd is, omdat hij zijn vertrouweling was, zijn raadsman, wiens verstandige adviezen de overwinning waarborgden.”

Pierre’s verbazing werd steeds grooter. Hij wendde zich direct tot Santobono, wiens irriteerende onbeweeglijkheid hem prikkelde.

Geen spier van den priester bewoog. Hij hield zijn dikke, heftige lippen dicht op elkaar geklemd en wendde zijn donkere, vlammende oogen geen oogenblik af van Prada, die steeds meer voorbeelden gaf. En monsignor Nazzarelli dan, dien men verschrompeld en verkalkt als een stuk kool in zijn bed gevonden had. En monsignor Brando, die onder den Vesper in de sacristie, toen hij zijn priesterornaat nog aan had, dood tegen den grond geslagen was?

“Ach, lieve God!” zuchtte Pierre, “u zult mij nog zooveel vertellen, dat ik ook bang word en niets anders dan zacht gekookte eieren in uw verschrikkelijk Rome zal durven eten!”

Deze boutade wekte den graaf en hem even op. Maar waarlijk door hun gesprek rees een verschrikkelijk Rome voor hem op—de eeuwige stad van de misdaad, van den dolk en van het gif, de stad, waarin sedert meer dan twee duizend jaar, sedert den eersten steen van den muur, de begeerte naar macht, de woeste bezit- en genotzucht de handen gewapend, de straten met bloed gekleurd en slachtoffers in den Tiber of in de aarde geworpen had. Moorden en vergiftigingen onder de keizers, vergiftigingen en moorden onder de pausen—dezelfde vloed van gruwelen stuwde de dooden in de verheven glorie der zon over dezen tragischen bodem voort.

“Hoe het zij,” begon de graaf weer, “voorzichtig zijn kan nooit kwaad. Men zegt, dat meer dan één kardinaal beeft en wantrouwen koestert. Ik ken er een, die niets anders eet dan vleesch, dat zijn kok koopt en klaar maakt. En wanneer de paus bang is …”

Weer ontsnapte Pierre een kreet van schrik.

“Wat, de paus zelfs? Is de paus bang voor vergif?”

“Zeker, mijn waarde abbé, men zegt het tenminste. Er zijn zeker dagen, waarop hij zich in de eerste plaats bedreigd waant. Weet u niet, dat in Rome het oude geloof heerscht, dat een paus niet te oud mag worden en men hem, wanneer hij met alle geweld niet op tijd sterven wil, daarbij wat helpt? Zoodra een paus kindsch wordt en door zijn ouderdomszwakte een hinderpaal, ja zelfs een gevaar wordt voor de Kerk, is zijn plaats in den hemel. Maar alles gaat heel kalm in zijn werk; de minste verkoudheid is een goed voorwendsel, dat hij niet langer op den troon van den Heiligen Petrus zit.”

Hij gaf er nog interessante bijzonderheden bij ten beste. Zoo zeide men, dat een prelaat, die den angst van Zijne Heiligheid wat wilde kalmeeren, een geheel stelsel van voorzorgsmaatregelen uitgedacht had, o. a. een klein, geheel afgesloten en gegrendeld wagentje voor de voor de pauselijke tafel bestemde levensmiddelen. Maar met dit wagentje is het bij het plan gebleven.

“En dan, je moet toch eenmaal sterven,” besloot hij lachend, “vooral wanneer het voor het heil der Kerk is … Niet waar, abbé?”

Sedert een oogenblik had Santobono, nog steeds even onbeweeglijk, zijn blikken neergeslagen, als keek hij eindeloos naar het kleine mandje vijgen, dat hij even voorzichtig als een Heilig Sacrament op zijn knieën hield. Nu hij zoo direct in het gesprek betrokken werd, moest hij wel opkijken. Maar hij liet zijn diep zwijgen niet varen, knikte slechts toestemmend.

“Alleen God en niet het vergif doet de menschen sterven, niet waar abbé?… Men zegt, dat dat de laatste woorden van monsignor Gallo geweest zijn, toen hij in de armen van zijn vriend, kardinaal Boccanera, den laatsten adem uitblies.”

Weer knikte Santobono zonder een woord te zeggen toestemmend. Alle drie vervielen in een zwijgend nadenken.

“Matteo,” riep eindelijk Prada tegen zijn koetsier, “houd even stil bij de Osteria Romana.”

Dan tot de beide priesters:

“Ik verzoek u mij even te excuseeren, ik wou even zien, of ik versche eieren voor mijn vader kan krijgen. Daar is hij zoo dol op.”

Op de aangegeven plaats hield het rijtuig stil. Vlak aan den rand van den weg stond een soort primitieve herberg met den welluidenden en trotschen naam: Antica Osteria Romana. Het was een eenvoudige pleisterplaats voor karrenvoerders, waar zich alleen jagers waagden, die er een flesch witten wijn drinken en een ommelette met ham eten gingen. Toch kwam het kleine volk van Rome ’s Zondags meermalen daarheen, om zich wat te vermaken. Maar door de week verliepen er in de reusachtige, kale campagna dagen, zonder dat er een levende ziel binnenkwam.

Reeds sprong de graaf lenig uit het rijtuig en zeide:

“Binnen een minuut ben ik weer terug.”

De osteria bestond slechts uit een lang, laag gebouw van één verdieping, die men langs een uit groote steenen gemaakte en door de zon verbrande buitentrap bereiken kon. Het geheele gebouw was verweerd en had de kleur van oud goud. Op den rez-de-chaussée bevonden zich een gelagkamer, een remise, een stal en loodsen. Aan de eene zijde was naast een boschje piniepijnen—de eenige boom, die op dezen onvruchtbaren bodem groeit—een priëel, waaronder vijf of zes houten, met een bijl vierkant gehakte tafeltjes stonden. Daarachter verhief zich, als ware het de achtergrond van dit armzalige en droefgeestige brok leven, een brokstuk van een oude waterleiding, welker open en half ingevallen bogen het eenige was, dat de vlakke lijn van den grenzenloozen horizont doorsneed.

Maar de graaf kwam dadelijk terug.

“Zeg eens, abbé, ik mag u zeker wel een glas witten wijn offreeren! Ik weet, dat u zelf een beetje wijnbouwer bent, en hier is een wijntje, dat men kennen moet.”

Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen en stapte op zijn beurt uit.

“Ik ken het, ik ken het. Het is een Marinowijntje, dat op een nog magerder bodem verbouwd wordt dan bij ons in Frascati.”

Toen hij zijn mandje vijgen mede wilde nemen, werd de graaf ongeduldig.

“Laat dat ding toch in het rijtuig staan. Wat hebt u daar hier mee noodig?”

De pastoor antwoordde niet, maar liep verder, terwijl Pierre, die graag zoo’n osteria, een van die volksherbergen, waarover hij zoo dikwijls had hooren praten, wilde zien, eveneens uitstapte.

Prada was er bekend. Dadelijk vertoonde zich een oude, groote uitgedroogde vrouw, ondanks haar armoedige rok een koninklijke verschijning. De laatste maal had zij een half dozijn versche eieren gevonden; ook nu zou zij kijken, zij kon echter niets beloven, want zij wist het nooit, de kippen legden nu hier, dan daar.

“Goed, goed, ga maar eens zoeken en laat in dien tusschentijd een flesch wijn brengen.”

Alle drie gingen zij de gelagkamer binnen. Het was er reeds heelemaal donker. Hoewel het warme seizoen reeds voorbij was, hoorden zij op den drempel reeds het gegons van een zwerm vliegen. Een scherpe geur van zuren wijn en ranzige olie sloeg hun op de keel. Zoodra hun oogen wat aan het donker gewend waren, konden zij het ruime, zwart geworden en door stank verpeste vertrek zien, waarin niets dan grove stoelen en tafels van nauwlijks geschaafd hout stonden. Het scheen heelemaal leeg, zoo stil was het er, uitgezonderd het gegons der vliegen. Toch zaten er twee mannen, onbeweeglijk en zwijgend, voor hun volle glazen. Op een lagen stoel dicht bij de deur rilde in het weinigje daglicht, dat erdoor binnenviel, de dochter des huizes van koorts, een mager, geel, jong meisje, haar twee handen samengedrukt op haar knieën.

De graaf, die merkte, dat Pierre zich onbehaaglijk gevoelde, stelde voor den wijn buiten te laten brengen.

“Het zal daar veel lekkerder zijn, het is zacht weer.”

Daar de moeder naar de eieren zocht en de vader in een loods een wiel aan het repareeren was, moest het van koorts rillende meisje opstaan, om de flesch wijn en de drie glazen in het priëel te brengen. Zij stak de zes centesimi voor de flesch in haar zak en ging dan, zonder een woord te zeggen, met een knorrig gezicht, omdat zij zoo’n tocht had moeten maken, naar haar plaats terug.

Toen zij plaats genomen hadden, vulde Prada vroolijk de glazen ondanks het verzoek van Pierre, die zeide, dat hij wijn tusschen twee maaltijden in niet verdragen kon.

“Kom, kom, u wilt toch wel even met me klinken! Het is een heerlijk wijntje, niet waar, abbé?… Nu dan, op de gezondheid van den paus, omdat hij ziek is.”

Santobono ledigde zijn glas in één teug en smakte met zijn tong. Hij had het mandje vijgen heel voorzichtig naast zich op den grond gezet, nam zijn hoed af en haalde diep adem. Het was werkelijk een prachtige avond, een zeldzaam heldere, lichtgouden hemel boven die eindelooze zee der Campagna, die op het punt stond in verheven rust en vrede in te sluimeren. Het zachte windje, welks ademtocht te midden van de groote stilte langs hen streek, geurde heerlijk naar kruiden en veldbloemen.

“Lieve God, wat is het hier heerlijk!” prevelde Pierre betooverd. “Welk een woestijn van eeuwige rust, waarin men de verdere wereld vergeet.”

Maar Prada, die de flesch in het glas van den pastoor leeggeschonken had, vermaakte zich, zonder een woord te zeggen, met een tooneeltje, dat hij in den beginne alleen scheen op te merken. Hij gaf den jongen priester een knipoogje en van dat oogenblik af volgden beiden de dramatische ontwikkelingen ervan. In het roodachtige gras om hen heen waren een paar kippen aan het zoeken naar sprinkhanen. Nu had een van die kippen, een klein, zwart, fijn glanzend, heel brutaal hennetje, het mandje vijgen op den grond zien staan en ging er parmantig op af. Toen het er dicht bij was, werd het echter bang en schrok terug. Het rekte zijn hals uit, keerde zijn kop om en keek er met zijn rond oogje naar. Eindelijk behaalde zijn hebzucht de overhand, en daar er een vijg tusschen twee blaadjes uitstak, kwam het kalm dichter bij en lichtte daarbij zijn pooten hoog op; dan stak het plotseling zijn bek door de vijg, zoodat het sap eruit liep.

Prada, die pleizier had als een kind, kon zijn lachen nu niet meer bedwingen.

“Pas op uw vijgen, abbé!”

Santobono had juist met in zalige verrukking naar den hemel starende oogen zijn tweede glas uitgedronken. Hij sprong op, keek rond en begreep alles toen hij de kip zag. Er volgde een uitbarsting van woede: heftige gebaren, verschrikkelijke scheldwoorden. Maar de kip liet de vijg niet los en stormde er met klappende vleugels zoo vlug en komisch mede weg, dat Prada en ook Pierre zich tranen lachten ondanks de machtelooze woede van Santobono, die het dier een oogenblik met dreigende vuist naliep.

“Dat komt er nu van, dat u het mandje niet in het rijtuig hebt laten staan,” zeide de graaf. “Als ik u niet gewaarschuwd had, zou de kip alles opgegeten hebben.”

Zonder iets te antwoorden en nog steeds binnensmonds verwenschingen prevelend, had de pastoor het mandje op de tafel gezet; dan lichtte hij de bladeren op en legde de overige vijgen handig zóó, dat het gat gevuld werd. Toen de blaadjes weer op hun plaats lagen en de ramp hersteld was, kalmeerde hij wat.

Het was tijd, om weer weg te gaan, de zon was vlak aan den horizont en de avond viel. De graaf werd dan ook ongeduldig.

“Nu, waar blijven de eieren?”

Daar hij de vrouw niet terug zag komen, ging hij haar zoeken. Eerst liep hij den stal binnen, dan de remise. De vrouw was er niet. Vervolgens liep hij achter het huis om, om in loodsen te kijken. Iets onverwachts deed hem plotseling als aan den grond genageld staan. Op den grond lag de kleine zwarte kip dood. Aan haar snavel zag men slechts een dun, violet bloedstroompje, dat nog steeds vloeide.

Eerst was hij slechts verwonderd. Dan bukte hij zich, om het diertje te betasten. De kip was warm, soepel en slap als een lap. Zeker een beroerte. Doch onmiddellijk daarop werd hij doodsbleek: de waarheid flitste voor hem op en verstijfde hem. Als in een bliksemstraal rees de zieke Leo XIII voor hem op—dan Santobono, zooals hij naar kardinaal Sanguinetti vloog, om het laatste nieuws te hooren, en nu naar Rome ging, om kardinaal Boccanera dat mandje vijgen ten geschenke te geven. En hij herinnerde zich het gesprek in het rijtuig over den eventueelen dood van den paus, over de mogelijke candidaten van de tiara, over de legendarische vergiftigingsverhalen, die de omgeving van het Vaticaan nog angst aanjoegen; hij zag den pastoor weer voor zich met zijn mandje, dat hij vol vaderlijke zorg op zijn knieën hield; hij zag de kleine, zwarte kip weer voor zich, die in het mandje pikte en zich met een vijg uit de voeten maakte. En het kleine hennetje lag daar dood.

Zijn overtuiging stond onmiddellijk onwankelbaar vast. Maar hij had zelfs den tijd niet om zich af te vragen wat hij doen moest, want een stem achter hem riep:

“Daar ligt het kleine kippetje. Wat heeft het dier?”

Het was Pierre; hij had Santobono weer laten instappen en was zelf het huis omgeloopen om het brokstuk van de tusschen de piniepijnen ingevallen waterleiding van dichterbij te zien.

Bevend, alsof hij zelf de schuldige was, antwoordde Prada, toegevend aan zijn instinct, met een niet vooruit bedachte leugen:

“Het is dood … Stel u voor, het is een heele vechtpartij geweest. Toen ik hier kwam, vloog die kip daar op deze aan, om de vijg, die zij nog in haar bek had, te krijgen, en heeft haar toen met een stoot van zijn snavel de hersens ingeslagen … Kijk maar, het bloed stroomt eruit.”

Waarom zeide hij dat alles? Hij verwonderde er zich zelf over, terwijl hij die dingen verzon. Wilde hij meester van den toestand blijven, niemand in zijn vertrouwen nemen, ten einde te kunnen handelen, zooals hij zelf wilde? Hij deed het zoowel uit een gevoel van schaamte tegenover een vreemdeling, als uit een persoonlijke neiging voor gewelddaden, die bij zijn verontwaardiging als fatsoenlijk man toch iets als bewondering voegde, als uit een onbewusten drang om de zaak uit een oogpunt van zijn persoonlijk belang te overwegen, alvorens een besluit te nemen. Een eerlijk, fatsoenlijk man was hij, hij zou zeker niet toelaten, dat men de menschen vergiftigde.

Pierre, die steeds vol medelijden met dieren was, keek naar de hen met de ontroering, die iedere plotselinge wegneming van het leven in hem wekte. Hij twijfelde geen oogenblik.

“Ja, die kippen zijn onderling zoo wreed, als menschen bijna niet kunnen zijn. Ik had thuis een heel groot hoenderhok, en geen kip daarvan kan een wondje aan haar poot hebben of de andere beginnen, zoodra zij een droppel bloed zien, op haar te pikken, totdat er niets meer dan beenderen over zijn.”

Prada verwijderde zich onmiddellijk. De vrouw was juist ook naar hem aan het zoeken, om hem de vier eieren, die zij met groote moeite in een paar hoekjes en gaatjes gevonden had, te geven. Hij betaalde gauw en riep Pierre:

“We moeten ons haasten, anders kunnen we niet in Rome terug zijn voor het heelemaal donker is.”

In het rijtuig zat Santobono kalm te wachten. Hij had zijn oude plaatsje op het klapbankje weer ingenomen, leunde met zijn rug tegen de bok, had zijn groote beenen onder zich getrokken en hield weer dat kleine mandje vijgen, dat hij met zijn knokige handen als iets zeldzaams en breekbaars, dat door den minsten schok beschadigd kon worden, op zijn knieën. Zijn soutane vormde een groote, zwarte vlek. In zijn ruw, aardkleurig gezicht—het gezicht van een boer, die steeds met den woesten bodem in aanraking is gebleven en door de paar jaar theologische studiën maar weinig ontbolsterd is—schenen alleen zijn oogen, die met een donkere, verterende vlam van hartstocht gloeiden, te leven.

Toen Prada hem daar zoo kalm en vierkant zitten zag, doorrilde hem een kleine huivering. Zoodra de victoria weer voortrolde op den rechten, eindeloozen weg, zeide hij: “Nu, abbé, dat is een glas wijn, dat ons tegen de ongezonde lucht beschermen zal. Als de paus net zoo doen kon als wij, zou hij gauw van zijn kolieken genezen zijn.”

Als eenig antwoord liet Santobono een dof gemompel hooren. Hij wilde niet meer spreken en sloot zich, als door den langzaam naderenden avond overmand, in een volkomen zwijgen op. Prada zweeg eveneens, terwijl hij zijn blikken op hem gericht hield en zich afvroeg, wat hij doen moest.

Links van hen ging de zon prachtig onder. Pierre kon er zijn blikken niet aan verzadigen en gaf zich geheel aan het schitterende schouwspel over.

En in het peinzend zwijgen van zijn twee reisgenooten bleef Prada zich afvragen, wat hij doen moest. Hij had zijn blikken niet af van Santobono; het gezicht van den priester was langzamerhand in duisternis gehuld, maar hij zat uiterst kalm op zijn bankje en liet zijn groot lichaam door de victoria wiegen. Hij herhaalde bij zichzelf, dat hij de menschen niet zoo kon laten vergiftigen. De vijgen waren ongetwijfeld bestemd voor kardinaal Boccanera, en in den grond der zaak liet een kardinaal meer of minder, een mogelijke paus, wiens toekomstige historische werkzaamheid niet te voorspellen was, hem vrij koud. Bij zijn wreede veroveraarsbegrippen en geheel opgaande in den strijd om het bestaan, had hij het altijd het beste gevonden het noodlot zijn gang te laten gaan; en afgezien daarvan zag hij er absoluut geen kwaad in, wanneer de eene priester den anderen opvrat, integendeel dat was een aangename prikkeling voor zijn atheïsme. Hij overwoog ook, dat het gevaarlijk zijn kon zich in die afschuwelijke zaak, in die gemeene, verdachte en ondoorgrondelijke intriges van de zwarte kringen te mengen. Maar kardinaal Boccanera woonde niet alleen in het paleis: de vijgen konden aan een verkeerd adres bezorgd, bij andere personen komen, die men niet treffen wilde.

Dit denkbeeld aan een noodlottig zich vergissend toeval liet hem niet meer los, vervolgde hem. En zonder dat hij er zijn gedachte bij wilde bepalen, rezen de gezichten van Benedetta en Dario voor hem op, kwamen steeds weer terug, ondanks zijn poging om ze niet te zien, drongen zich aan hem op. Als Benedetta, als Dario die vruchten aten? De gedachte aan Benedetta kon hij onmiddellijk ter zijde schuiven, want hij wist, dat zij afzonderlijk met haar tante at en het eten niet uit dezelfde keuken kwam. Maar Dario dejeuneerde dagelijks met zijn oom. Een oogenblik zag hij Dario voor zich, aangegrepen door een kramp en evenals monsignor Gallo met een aschgrauw gezicht en holle oogen binnen twee uur stervend in de armen van den kardinaal.

Neen, neen, dat was afschuwlijk, hij kon een dergelijke gewelddaad niet toelaten. Zijn besluit was nu genomen. Hij zou wachten, tot de avond heelemaal gevallen was, dan heel eenvoudig het mandje van de knieën van den priester nemen en het, zonder een woord te zeggen, in het een of ander donker gat gooien. De pastoor zou het dan wel begrijpen. De andere, de jonge priester, zou het misschien niet eens merken. Trouwens dat kwam er minder op aan, want hij was vastbesloten geen uitleg van zijn handeling te geven. En hij voelde zich heelemaal gerust gesteld, toen hij op het denkbeeld kwam het mandje weg te werpen, wanneer zij onder de Porta Furba, op enkele kilometers voor Rome, zouden doorrijden. In de donkerte van de poort zou dat heel goed gaan; zou men niets kunnen zien.

“We hebben ons verlaat en zullen niet voor zes uur in Rome zijn,” zeide hij tot Pierre. “Maar u zult nog tijd genoeg hebben om u te verkleeden en uw vriend op te zoeken.”

Dan richtte hij zich, zonder een antwoord af te wachten, tot Santobono.

“Uw vijgen zullen wel laat komen.”

“O,” antwoordde de pastoor; “Zijne Eminentie ontvangt tot acht uur. En bovendien de vijgen zijn niet voor vanavond. ’s Avonds eet je geen vijgen. Ze zijn voor morgenochtend.”

Hij viel weer in zijn stilte terug en sprak niet meer.

“Voor morgenochtend, ja, ja, dat spreekt!” herhaalde Prada. “Het zal een heele traktatie voor hem zijn, vooral als niemand met hem mede eet.”

Onbezonnen vertelde Pierre nu iets, dat hij wist.

“Dat zal zeker wel het geval zijn, want zijn neef, prins Dario, zou vandaag naar Napels gaan—een klein herstellingsreisje na het ongeval, dat hem een maand te bed gehouden heeft.”

Plotseling bedacht hij tegen wien hij sprak, en zweeg. Maar de graaf had zijn verlegenheid opgemerkt.

“Kom, kom, mijn waarde heer Froment, u kwetst mij heelemaal niet. Dat is al zoo’n oude geschiedenis … Zoo, is de jonge man vertrokken?”

“Ja, als hij tenminste zijn reisje niet uitgesteld heeft. Maar ik geloof niet, dat ik hem nog in het paleis vinden zal.”

Gedurende een oogenblik hoorde men weer niets dan het voortdurende rollen der wielen. Prada zweeg; hij werd weer door onrust, door het onaangename gevoel, dat hij niet wist, wat hij doen moest, aangegrepen. Waarin wilde hij zich mengen, nu Dario er toch niet was. Al die overwegingen vermoeiden hem en ten slotte dacht hij hardop:

“Als hij werkelijk naar Napels is, dan heeft hij dat uit convenance gedaan, om vanavond niet aanwezig behoeven te zijn op het feest der Buongiovanni’s, want vanochtend heeft de Conciliecongregatie vergaderd, om definitief uitspraak te doen in het proces, dat de gravin mij aangedaan heeft … Ja ik zal dadelijk hooren, of de nietigverklaring van ons huwlijk door den Heiligen Vader geteekend zal worden.”

Zijn stem was wat heesch geworden; men voelde, dat de oude wond weer openging en bloedde—de wond, welke aan zijn mannentrots was toegebracht door deze vrouw, die de zijne was en zich aan hem geweigerd had, om haar maagdelijkheid voor een ander te bewaren. Het gaf niet, of zijn vriendin Lisbeth hem een kind geschonken had; de beschuldiging van impotentie, die beschimping van zijn manlijkheid herleefde steeds weer en deed zijn hart opzwellen van blinde woede. Een heftige plotselinge rilling doorhuiverde hem, als had een ijskoude wind over zijn lichaam geblazen, en, het gesprek een andere wending gevend, voegde hij eraan toe:

“Het is heelemaal niet warm vanavond … Dit is het slechtste uur voor Rome, het uur na zonsondergang, waarin men heel makkelijk een flinke koorts kan oploopen, als men niet voorzichtig is … Trek de deken over uw voeten; pak u maar goed in.”

Dan ontstond, terwijl zij de Porta Furba naderden, weer een stilte, maar nu nog drukkender dan zooeven; zij geleek op den onbedwingbaren slaap, die de door den nacht overmande Campagna deed insluimeren. Eindelijk werd in het licht der heldere sterren de poort zichtbaar; het was niet meer dan een boog van de Acqua Felice, waaronder de straatweg doorliep. Uit de verte was het, alsof dat waterleiding-brokstuk met zijn reusachtige massa’s oude, halfingevallen muren den weg trachtte te versperren. Dan echter vertoonde de groote, geheel met schaduw gevulde boog zich als een gapende poort, en de wagen reed er in volle duisternis met luider wielengeratel onder door.

Toen zij aan den anderen kant waren, had Santobono nog steeds het mandje vijgen op zijn knieën; Prada keek hem verstoord aan en vroeg zich af tengevolge van welke plotselinge verlamming van zijn handen hij het mandje niet weggenomen en in het donker geslingerd had. Hij was er, alvorens onder het gewelf door te gaan, nog zoo vast toe besloten. Hij had er nog naar gekeken, om de beweging, die hij zou moeten maken, te berekenen. Wat had er in hem plaats gegrepen? Hij voelde zich ten prooi aan een steeds grooter wordende besluiteloosheid, dat hij niet in staat meer was, iets beslist te willen, daar hij in de onbewuste gedachte om voor alles zichzelf geheel te bevredigen, als het ware gedrongen werd om te wachten. Waarom zou hij zich haasten, nu Dario ongetwijfeld weg was en de vijgen toch zeker niet vóór den volgenden dag gegeten zouden worden? Dienzelfden avond nog zou hij hooren of de Conciliecongregatie zijn huwlijk nietig verklaard had, zou hij weten in hoeverre de gerechtigheid Gods te koop en leugenachtig was. Zeker, hij zou niemand laten vergiftigen, zelfs kardinaal Boccanera niet, wiens leven hem per slot van rekening toch volkomen koud liet. Maar was sedert hun vertrek uit Frascati dat kleine mandje als het ware niet het voortschrijdend noodlot? Gaf hij niet toe aan een genieten van onbeperkte macht, terwijl hij tegen zichzelf zeide, dat hij er heer en meester van was om het tegen te houden of het zijn doodelijk werk tot het einde toe te laten volbrengen? Bovendien ging hij geheel op in de geheimzinnigste van alle strijden; hij zocht niet meer naar redenen, zijn handen waren zóó gebonden, dat hij niet anders kon. Voor zichzelf vast besloten, dat hij, alvorens naar bed te gaan, een waarschuwingsbrief zou werpen in de brievenbus van het paleis, voelde hij zich toch gelukkig bij de gedachte, dat hij het niet zou doen, indien hij er belang bij hebben zou het niet te doen.

Het laatste gedeelte van den rit werd te midden van die drukkende stilte, te midden van de avondrillingen, die de drie mannen verstijfd schenen te hebben, afgelegd. Tevergeefs begon de graaf, om aan den onderlingen strijd van zijn gedachten te ontkomen, weer over het groote feest bij de Buongiovanni’s, vertelde bijzonderheden, beschreef de pracht, die men aanschouwen zou: zijn woorden klonken moeilijk, verlegen, verstrooid. Dan trachtte hij Pierre te troosten, hem moed in te spreken, door nogmaals over den vriendelijken, met beloften zoo kwistigen kardinaal Sanguinetti te beginnen; maar hoewel de priester heel gelukkig naar Rome terugkeerde in de gedachte, dat zijn boek nog niet veroordeeld was en hij, indien men hem hielp, misschien nog zou overwinnen, antwoordde hij toch nauwelijks, geheel als hij opging in zijn overpeinzingen. Santobono sprak niet, bewoog zich niet, was als verdwenen, zwart in den zwarten nacht.

De lichten van Rome vermenigvuldigden zich; rechts en links verschenen weer huizen, eerst op groote afstanden van elkander, dan dichter opeen gebouwd. Het was de voorstad, in den beginne nog stoppelvelden, dan mooie hagen, olijfboomen, welker toppen boven de hooge tuinmuren uitstaken, groote gevels met door vazen gekroonde zuilen en eindelijk de stad met haar rijen kleine, grijze huizen, armzalige winkels, verdachte kroegen, waaruit dikwijls geschreeuw en twistlawaai opsteeg.

Prada wilde met alle geweld zijn reisgenooten naar de Via Giulia, tot vijftig meter van het paleis, brengen.

“Het is voor mij volstrekt geen last, werkelijk niet … U kunt heusch niet te voet gaan, nu u zoo’n haast hebt!”

Reeds sliep de Via Giulia in haar honderdjarigen vrede; zij lag daar volkomen eenzaam met haar dubbele rij lantaarns, in de zwaarmoedigheid van haar verlatenheid. Toen Santobono uitgestapt was, wachtte hij niet op Pierre, die trouwens steeds van de kleine, in het steegje uitkomende trapje gebruik maakte.

“Tot ziens, abbé!”

“Tot ziens, mijnheer de graaf! Duizendmaal dank!”

Zij konden hem met hun blik volgen tot den palazzo Boccanera, waarvan de oude monumentale poort nog wijd open stond. Even zagen zij zijn hooge gestalte die schaduw versperren. Dan ging hij met zijn klein mandje naar binnen. Hij droeg het noodlot.


1 Groep van drie nummers, die alle drie bij één loting moeten uitkomen, om te winnen. 

2 Een der werken van Virgilius. 

3 Een van de meest bekende giftmengsters te Rome.