TWAALFDE HOOFDSTUK
Het was tien uur, toen Pierre en Narcisse, die in het Café de Rome gedineerd en daarna in een lang gesprek hun tijd verpraat hadden, zich te voet naar den palazzo Buongiovanni op den Corso begaven. Het kostte hun veel moeite de deur te bereiken. De rijtuigen reden in een dichte file aan en de menigte nieuwsgierigen, die ondanks de aanwezigheid van de politie staan bleven en den rijweg in beslag namen, werd zóó dicht, dat de paarden bijna niet meer vooruit komen konden. Uit de tien hooge vensters der eerste verdieping van den langen monumentalen vleugel stroomde een zee van licht, een groot wit licht, het daglicht van de electrische lampen, die de straat, de in den menschenstroom als vastgeplakte equipages, de deining der opgewonden menschen te midden van een tumult van kreten en gebaren als met een zonneglans bestraalden.
Het was niet de gewone nieuwsgierigheid, om uniformen en rijk-getoiletteerde dames uit de rijtuigen te zien stappen; Pierre hoorde al heel gauw, dat deze menigte op de komst van den koning en de koningin wachtte, die beloofd hadden te zullen verschijnen op het gala-bal, dat prins Buongiovanni gaf ter eere van de verloving van zijn dochter Celia met luitenant Attilio Sacco, den zoon van een der ministers van Zijne Majesteit. Bovendien was dit huwlijk de gelukkige ontknooping van een liefdesgeschiedenis, die de geheele stad in een hartstochtelijke opwinding bracht; het verhaal van den bliksemstraal der liefde, het jonge knappe paar, de standvastige, alle hinderpalen overwinnende trouw onder romantische omstandigheden ging van mond tot mond, bracht in aller oogen een traan, deed aller harten kloppen.
Dit verhaal had Narcisse aan het dessert verteld aan Pierre, die het gedeeltelijk kende. Men verzekerde, dat de prins na een laatste vreeselijke scène eindelijk slechts toegegeven had, omdat hij bang was anders Celia op een goeden avond aan den arm van haar geliefde het paleis te zullen zien verlaten. Niet, dat zij hem daarmede gedreigd had, maar in haar maagdelijk-onwetende kalmte lag zulk een minachting voor alles, wat niet haar liefde was, dat hij haar ertoe in staat achtte in alle naïeveteit de ergste dwaasheden te begaan. De prinses, zijn vrouw, een flegmatieke, nog knappe Engelsche, was geheel neutraal gebleven; zij meende genoeg voor het huis gedaan te hebben, door haar man een bruidsschat van vijf millioen en vijf kinderen te schenken.
De prins, bang en zwak ondanks al zijn heftigheid, waarin het oude, reeds door zijn vermenging met een vreemd ras bedorven Romeinsche bloed terug te vinden was, handelde nog slechts uit vrees, zijn tot dusverre te midden van de opgehoopte ruïnes van het patriciaat intact gebleven huis en vermogen ineen te zien storten; en toen hij ten slotte toegaf, had hij hoogstwaarschijnlijk gehoorzaamd aan het denkbeeld, dat hij door zijn dochter vasten voet zou kunnen krijgen op het Quirinaal, zonder zich daardoor van het Vaticaan terug te trekken. Ongetwijfeld was het een brandende smaad, zijn trots bloedde onder die toenadering tot de Sacco’s, menschen van niets.
Maar Sacco was minister; het eene succes was zoo snel gevolgd op het andere, dat hij op weg scheen nog hooger te stijgen en na de portefeuille van Landbouw die van Financiën, waarnaar hij reeds lang gestreefd had, te veroveren. Met hem kon men zeker zijn van de gunst des konings en van een veiligen terugtocht naar dien kant, wanneer het pausdom eens ten onder mocht gaan. Bovendien had de prins inlichtingen ingewonnen omtrent den zoon en hij voelde zich eenigszins ontwapend tegenover dezen zoo knappen, dapperen en rechtschapen Attilio, die de toekomst, misschien het glorierijke Italië van morgen was.
Hij was soldaat, men zou hem tot de hoogste rangen kunnen pousseeren. En de boosaardige wereld voegde eraan toe, dat de laatste reden, welke den prins, die heel gierig was, en tot zijn wanhoop zijn vermogen onder zijn vijf kinderen zou moeten verbrokkelen, tot toegeven noopte, de gelukkige omstandigheid was, dat hij Celia een belachelijk kleinen bruidsschat kon medegeven. Nu hij eenmaal zijn toestemming tot het huwlijk gegeven had, wilde hij de verloving vieren met een schitterend feest, zooals er te Rome maar weinig gegeven werden. De deuren zouden voor ieder openstaan, het koninklijk echtpaar uitgenoodigd worden, het paleis stralen als in de roemrijke dagen van vroeger. Ook al zou het hem iets van zijn geld kosten, dat hij zoo grimmig verdedigde, hij wilde uit bravoure bewijzen, dat hij niet overwonnen was en dat de Buongiovanni’s niets te verbergen hadden, zich voor niets behoefden schamen.
De waarheid echter was, dat deze bravoure niet van hem kwam, doch hem, zonder dat hij het zich bewust was, ingeblazen werd door de kalme, onschuldige Celia, die haar geluk aan den arm van Attilio wilde laten zien aan geheel Rome, dat deze als in een mooi sprookje zoo gelukkig eindigende liefdesgeschiedenis luide toejuichte.
“Alle duivels!” zeide Narcisse, die in den dichten menschenstroom niet verder kon; “wij zullen op die manier nooit boven komen. Zij hebben de heele stad blijkbaar geïnviteerd.”
En toen Pierre zijn verwondering te kennen gaf, dat hij een prelaat in zijn karos voorbij zag rijden, voegde hij er aan toe:
“O, u zult er verscheidene aantreffen. De kardinalen zullen zich wegens de aanwezigheid van het koninklijk paar niet durven laten zien, maar de prelaten zullen zeker komen. Het is hier een neutrale salon, waarin wit en zwart zich verbroederen kunnen. En bovendien worden er zóó weinig feesten gegeven, dat men de enkele, die er nog zijn, niet graag verzuimt.”
Hij legde den priester uit, dat er met uitzondering van de twee groote bals, die het Hof iederen winter gaf, bijzondere omstandigheden noodig waren om het patriciaat tot zulke gala-avonden te bewegen. Twee of drie zwarte salons openden nog tegen het einde van het carnaval hun deuren maar overal waren de groote recepties vervangen door intieme danspartijen. Enkele prinsessen hielden slechts op bepaalde dagen haar jour. De weinige witte salons bewaarden een dergelijke, min of meer gemêleerde intimiteit, want geen enkele vrouw des huizes was de onbetwiste koningin der nieuwe wereld geworden.
“Eindelijk,” riep Narcisse uit, toen zij op de trap waren.
“Laten we bij elkaar blijven,” zeide Pierre, die een beetje ongerust was. “Ik ken alleen de bruid een weinig, en zou graag zien, dat u mij voorstelt.”
Maar het opgaan van de trap was nog een moeilijk en lang werk, zoo verdrong de menigte nieuw aangekomenen zich daar. Zelfs in de oude tijden van waskaarsen en olielampen was er nooit zoo’n lichtglans geweest. Electrische lampjes brandden in de prachtige bronzen kandelabres, die de portalen versierden, overgoten alles met een helder licht. De koude kalk van de muren was verborgen onder een reeks kostbare tapisserieën, die de geschiedenis van Amor en Psyche vertelden en sedert de Renaissance in het bezit der familie waren. Een dikke looper bedekte de uitgesleten treden en plantengroepen, palmen, die zoo groot als boomen waren, versierden de hoeken. Een nieuw bloed stroomde toe en verwarmde het oude huis; een nieuw ontstaand leven steeg met den stroom der lachende, welriekende vrouwen met haar bloote schouders en fonkelende diamanten, omhoog.
Toen zij boven waren, zag Pierre onmiddellijk bij den ingang van den eersten salon prins en prinses Buongiovanni, naast elkaar staande, hun gasten ontvangen. De prins, een reeds grijzende, groote, slanke en blonde man, had het energieke gezicht van een voormaligen, pauselijken veldheer en de lichte Noordelijke oogen van zijn moeder. De prinses met haar rond en tenger gezichtje zag er niet ouder uit dan dertig, hoewel zij de vier kruisjes reeds achter den rug had; zij was nog altijd knap, had een glimlachende opgewektheid, welke door niets verstoord kon worden, voelde haar grootste geluk in haar zelfaanbidding. Zij droeg een toilet van rose zijde; een prachtige parure van groote robijnen scheen korte vlammetjes te ontsteken op haar fijne huid en in haar blonde lokken. Van de vijf kinderen was, daar de oudste zoon zich op reis bevond en de drie andere meisjes nog in het pensionaat waren, alleen Celia aanwezig … Celia in een wit zijden kostuum, eveneens blond, verrukkelijk met haar onschuldige oogen en haar reinen mond, tot het einde van haar liefdesavontuur haar uiterlijk van groote, gesloten, in haar maagdelijk mysterie ondoorgrondelijke lelie bewarend.
De Sacco’s waren juist gekomen; Attilio, die naast zijn bruid was blijven staan, droeg zijn eenvoudige luitenantsuniform, maar hij toonde zijn groot geluk zoo naïef, dat zijn knap gezicht met den liefdevollen mond en de dappere oogen in een buitengewonen glans van jeugd en kracht straalde. In dezen triomf van hun hartstochtelijke liefde naast elkaar staande, geleken zij reeds van den drempel af op de levensvreugde en levensgezondheid zelf, op de onbegrensde hoop op de beloften van morgen; en alle gasten, die hen bij hun binnenkomen daar zoo zagen staan, moesten glimlachen, werden ontroerd en vergaten hun boosaardige en babbelzieke nieuwsgierigheid zoo zeer, dat zij hun hart aan dit zoo mooi, in zijn geluk zoo verrukte liefdespaar gaven.
Narcisse wilde Pierre voorstellen, maar Celia liet hem den tijd daar niet voor. Zij ging den priester tegemoet en bracht hem naar haar vader en haar moeder.
“Mijnheer de abbé Pierre Froment. Een vriend van mijn lieve Benedetta.”
Een ceremonieele begroeting volgde. Pierre was zeer getroffen door de lieftalligheid van het jonge meisje, dat nog tegen hem zeide:
“Benedetta komt straks met haar tante en Dario. Zij moet vanavond zoo gelukkig zijn! Nu zult u pas eens zien, hoe mooi zij is!”
Pierre en Narcisse boden haar hun gelukwenschen aan. Doch zij konden daar niet blijven staan, de stroom dreef hen verder. De prins en de prinses hadden slechts den tijd met een vriendelijk hoofdknikje te groeten, dan werden zij overstroomd, en Celia moest, nadat zij de beide vrienden bij Attilio gebracht had, weer haar plaats als kleine koningin van het feest naast haar ouders innemen.
Narcisse was met Attilio eenigszins bevriend. Weer volgden gelukwenschen en handdrukken. Dan manoeuvreerden beiden uit nieuwsgierigheid zóó, dat zij een oogenblik in den eersten salon konden blijven staan, welks aanblik werkelijk de moeite loonde. Het was een zeer groot, met groen, goudgebloemd fluweel behangen vertrek, dat de wapenzaal genoemd werd en inderdaad een zeer merkwaardige collectie wapenen bevatte—harnassen, strijdbijlen, degens, die in de vijftiende en zestiende eeuw aan de Buongiovanni’s toebehoord hadden. En te midden van dat ruwe oorlogstuig zag men een prachtigen met het fijnste verguldsel en snijwerk versierden draagstoel uit de vorige eeuw, waarin de overgrootmoeder van den tegenwoordigen Buongiovanni, de beroemde Bettina, een legendarische schoonheid, zich naar de mis liet brengen. Verder vindt men aan de muren slechts historische schilderijen, veldslagen, onderteekeningen van vredesverdragen, koninklijke ontvangsten, waarbij de Buongiovanni’s een rol gespeeld hadden; ongerekend de familieportretten—hooge, trotsche gestalten, veldheeren te land en ter zee, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders, prelaten, kardinalen, waaronder, op de eereplaats, de paus, de in de witte soutane gekleede Buongiovanni triompheerde, wiens troonsbestijging de groote nakomelingschap rijk gemaakt had. Tusschen deze wapenen, naast den draagstoel, onder deze oude portretten, waren de Sacco’s op enkele passen van den heer en de vrouw des huizes blijven staan, om hun deel in de gelukwenschen te ontvangen.
“Kijk!” fluisterde Narcisse Pierre in; “daar tegenover ons staan de Sacco’s, die kleine donkere man en de dame in malvekleurige zijde.”
Pierre herkende Stefana, die hij bij den ouden Orlando ontmoet had, aan haar opgewekt gezicht met het vriendelijk lachje en de fijne trekken. Maar vooral interesseerde hem de echtgenoot. Hij was donker en uitgedroogd, had groote oogen en een geel gezicht, een vooruitstekende kin en een neus als een gierensnavel, het vroolijke masker van een Napolitaanschen hansworst, en bezat een groote welsprekendheid en een stem, die een onvergelijkelijk betooverings- en veroveringswerktuig was. Alleen door hem daar in dien salon te zien kon men zijn groote successen in de brutale en zoo middelmatige wereld der politiek begrijpen. Voor het huwlijk van zijn zoon had hij met zeldzame handigheid gemanoeuvreerd; hij huichelde tegenover Celia, ja zelfs tegenover Attilio een overdreven teergevoeligheid en zeide, dat hij zijn toestemming weigerde, omdat hij bang was, dat men hem zou beschuldigen een bruidsschat en een titel te stelen. Hij had pas na de Buongiovanni’s toegegeven en eerst het oordeel willen hooren van den ouden Orlando, wiens groote, heldhaftige ridderlijkheid in geheel Italië spreekwoordelijk was; en hij deed dat des te eerder, omdat hij bij voorbaat van diens goedkeuring zeker was, want de held geneerde zich niet luide te herhalen, dat de Buongiovanni’s zich gelukkig mochten achten in hun familie zijn achterneef, een knappen, rechtschapen en dapperen jongen te krijgen, die hun uitgeput oud bloed zou regenereeren, door hun dochter mooie kinderen te geven. Sacco had in die zaak op bewonderenswaardige wijze gebruik gemaakt van den legendarischen naam van Orlando, door zijn verwantschap met hem uit te bazuinen, door een kinderlijke vereering te doen blijken voor den roemrijken stichter des vaderlands, zonder dat hij een oogenblik scheen te willen vermoeden hoe zeer deze hem verachtte en verwenschte, want Orlando twijfelde geen oogenblik of zijn ministerschap zou het land tot ondergang en schande leiden.
“O,” ging Narcisse voort, “een soepel en praktisch man, die er niet tegen opziet een paar klappen te krijgen. Het schijnt, dat er nu eenmaal in staten, die in nood geraakt zijn en politieke, financieele en moreele crisissen doormaken, mannen noodig zijn, die zich niet door gewetensbezwaren laten weerhouden. Men zegt, dat hij met zijn onverstoorbaar aplomb, zijn scherpzinnigen geest en zijn voor niets terugschrikkende hulpmiddelen de gunst van den koning geheel veroverd heeft … Kijk slechts, kijk slechts! Zou men hem te midden van dien vloed hovelingen, welke hem omgeeft, niet reeds voor den meester van dit paleis houden?”
Inderdaad hoopten de gasten, die met een buiging langs de Buongiovanni’s gingen, zich om Sacco op; want hij vertegenwoordigde de macht, goede posities, pensioenen, ordeteekenen; en ook al riep de aanwezigheid van den mageren, donkeren, druk doenden man tusschen de groote voorvaderen van dit huis nog een glimlach te voorschijn, toch vleide men hem als de nieuwe macht, de democratische macht, die overal, zelfs uit dezen ouden Romeinschen bodem, opsteeg, waarop het patriciaat in puin lag.
“Lieve hemel, wat een volte!” prevelde Pierre. “Wie zijn toch al die menschen?”
“O,” antwoordde Narcisse, “het is een zeer gemengd gezelschap. Zij behooren niet meer tot de zwarte of tot de witte kringen, maar tot de grijze. De evolutie kon niet uitblijven, de starre onverdraagzaamheid van een kardinaal Boccanera kan niet die van een geheele stad, van een volk zijn. De paus alleen zal altijd neen zeggen en onveranderlijk blijven. Maar om hem heen schrijdt alles onoverwinlijk vooruit en verandert, zoodat, ondanks allen tegenstand, Rome binnen enkele jaren Italiaansch zijn zal … Zooals u weet, blijft tegenwoordig, wanneer een prins twee zoons heeft, een op het Vaticaan en gaat de ander naar het Quirinaal over. Men moet toch leven, niet waar? De groote families, die in doodsgevaar verkeeren, bezitten niet den heldenmoed hun koppige halsstarrigheid tot aan zelfmoord te drijven … Ik heb u reeds gezegd, dat we hier op een neutraal terrein waren, want prins Buongiovanni is een der eersten, die de noodzakelijkheid van een verzoening ingezien heeft. Hij voelt, dat zijn vermogen dood is; hij durft het noch in industrieele noch in financieele zaken te beleggen: hij ziet het reeds verbrokkeld tusschen zijn vijf kinderen, die het op hun beurt weer zullen verbrokkelen; daarom heeft hij zich aan de zijde van den koning geschaard, zonder met den paus te willen breken … U ziet dan ook in dezen salon het juiste beeld van de debacle, van den pêle-mêle, die in de meeningen en denkbeelden van den prins heerscht.”
Hij hield even op, om dan de namen der binnentredende personen te noemen.
“Dat is een generaal, die na zijn laatste campagne in Afrika zeer populair is. U zult trouwens vanavond veel militairen zien, want alle superieuren van Attilio zijn uitgenoodigd om den jongen man een glorierijken entourage te geven … En kijk, daar is de Duitsche gezant. Waarschijnlijk zal door de aanwezigheid van Hunne Majesteiten het geheele corps diplomatique komen … En als tegenstelling ziet u daarginds dien corpulenten man. Dat is een zeer invloedrijk afgevaardigde, een parvenu van de nieuwe bourgeoisie. Een dertig jaar geleden was hij nog pachter van prins Albertini, een van die mercanti de campagna, die met hooge laarzen en slappen hoed de Campagna Romana afliepen … En kijk nu eens naar dien prelaat, die daar binnenkomt …”
“Dien ken ik,” antwoordde Pierre. “Het is monsignor Fornaro.”
“Precies, monsignor Fornaro, iemand, die wat in de melk te brokkelen heeft. Ja, dat is waar ook, u hebt mij verteld, dat hij rapporteur is in de zaak van uw boek … Een innemende persoonlijkheid! Hebt u gemerkt met welk een révérence hij de prinses begroette? Welk een edele houding, welk een gratie onder zijn violetzijden mantel!”
Narcisse bleef op deze wijze prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, politici en ambtenaren, diplomaten en ministers, burgers en officieren opnoemen—een ongelooflijke warboel, ongerekend nog de vreemdelingenkolonie, Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Spanjaarden, Russen, het oude Europa, Noord- en Zuid-Amerika. Dan begon hij plotseling weer over de Sacco’s, de kleine mevrouw Sacco, en vertelde van haar heldhaftige pogingen, die zij, in de meening daarmede het eerzuchtige streven van haar man te bevorderen, gedaan had door een salon te openen.
Deze zachte, uiterlijk zoo bescheiden vrouw was een zeer geslepen iemand met uitstekende karaktereigenschappen, echt-Piemonteesch geduld en weerstandsvermogen, zin voor orde en spaarzaamheid. In het dagelijksch leven herstelde zij het evenwicht, dat de man door zijn onstuimigheid ieder oogenblik in gevaar bracht. Zonder dat iemand het vermoedde, had hij haar veel te danken. Maar tot dusverre was haar poging om tegenover den laatsten zwarten salon een toonaangevenden witten salon te openen, mislukt.
Zij vereenigde slechts lieden van haar eigen kringen om zich, geen vorst maakte er zijn opwachting, en op haar Maandagen werd gedanst zooals men in twintig andere kleine, burgerlijke salons zonder glans of heerlijkheid danste. De echte witte salon, die als meester van Rome voor menschen en dingen den toon aangeven zou, bevond zich nog in den toestand van een chimère.
“Kijk eens naar haar flauw glimlachje, terwijl zij alles hier opneemt,” zeide Narcisse. “Ik ben er zeker van, dat zij al plannen maakt tot navolging. Als zij aan een prinselijke familie geparenteerd raakt, hoopt zij misschien eindelijk ook de hoogere kringen bij zich te zullen ontvangen.”
In het toch zoo groote vertrek werd de menigte zoo dicht, dat zij bijna stikten, weggedrongen en tegen een muur gedrukt werden. De gezantschapsattaché nam dan ook den priester mede, terwijl hij hem bijzonderheden vertelde over de eerste verdieping van het paleis, een der weelderigst ingerichte van Rome, en om de pracht van haar receptiesalon beroemd.
Gedanst werd er in de schilderijengalerijen, een twintig meter lange, koninklijke, met kunstwerken gevulde zaal, waarvan de acht ramen op den Corso uitzagen. Het buffet was opgericht in de antieke zaal, een marmeren zaal, waarin men een bij den Tiber gevonden Venus zag, welke wedijveren kon met die van het Capitool. Dan volgde een reeks prachtige, nog in hun ouden luxe schitterende salons, behangen met de zeldzaamste stoffen, en die van de vroegere inrichting nog enkele bijzondere stukken bevatten, waarop de antiquairs in de hoop op een toekomstige, onvermijdelijke ruïne, reeds loerden. Van deze salons was er vooral één, de zoogenaamde spiegelzaal, beroemd, het was een rond vertrek in Louis XV-stijl, geheel behangen met spiegels in kostbare, gebeeldhouwde rococolijsten.
“Straks zult u dat alles zien,” zeide Narcisse. “Laten we nu hier even binnengaan, om wat uit te blazen … Hier heeft men de fauteuils uit de galerij hiernaast gebracht voor de dames, die graag willen zitten, gezien en gefêteerd worden.”
Het was een groote salon, behangen met het mooiste Genueesche fluweel, dat men zich denken kan; oud fluweel met licht-satijnen ondergrond en schitterende bloemen, waarvan het groen, blauw en rood echter goddelijk mooi verbleekt is en den zachten, doffen tint van oude liefdebloemen aangenomen heeft. Op de wandtafeltjes en in glazen kastjes stonden de kostbaarste kunstvoorwerpen van het paleis, ivoren kistjes, beschilderd en verguld houtsnijwerk, oud zilver.
Inderdaad hadden reeds verschillende dames hun toevlucht gezocht op de talrijke stoelen en zaten in kleine groepjes te praten en te lachen met de enkele heeren, die dit bekoorlijke hoekje der galanterie ontdekt hadden. Er was moeilijk een lieflijker aanblik te denken dan het geplek van de bloote, als zijde zoo fijne schouders, dan die tengere nekken, waarom zich bruin of blond haar wond. De bloote armen kwamen als levende bloemen van vleesch uit het bekoorlijke gewirwar van lichte toiletten. De waaiers bewogen zich langzaam, als om het vuur der edelgesteenten nog te verhoogen en verspreidden bij ieder waaien een vrouwengeur, vermengd met een overheerschende viooltjesparfum.
“Kijk, daar heb je onzen goeden vriend, monsignor Nani,” riep Narcisse uit. “Hij begroet de vrouw van den Oostenrijkschen gezant.”
Zoodra Nani den priester en diens vriend zag, kwam hij naar hen toe, en met hun drieën gingen zij in een vensternis staan, om een oogenblik op hun gemak te kunnen praten. De prelaat glimlachte verrukt over het mooie feest, maar behield te midden van al die zich bloot gevende schouders de kalme rust van een driedubbel met onschuld gepantserde ziel, als had hij ze zelfs niet gezien.
“Wat ben ik blij u weer te ontmoeten, mijn waarde zoon,” zeide hij tot Pierre. “En wat zegt u wel van ons Rome, wanneer het een groot feest geeft?”
“Het is prachtig, monsignor!”
De prelaat sprak met iets van ontroering in zijn stem over de groote vroomheid van Celia en hield zich, als zag hij bij den prins en de prinses slechts de getrouwen van het Vaticaan, om dit met dit schitterende feest te eeren. Hij liet het zelfs voorkomen niet te weten, dat de koning en de koningin komen zouden. Dan plotseling:
“Ik heb den geheelen dag aan u gedacht, mijn waarde zoon. Ja, ik heb gehoord, dat ge voor uw proces een bezoek gebracht hebt aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti.… Hoe heeft hij u ontvangen?”
“O, op zeer vaderlijke wijze … Eerst wees hij mij op de moeilijkheid, waarin hij gebracht wordt, omdat hij de beschermer van Lourdes is. Maar toen ik wegging, was hij buitengewoon vriendelijk, hij heeft me formeel zijn hulp beloofd met een fijngevoeligheid, die mij zeer trof.”
“Zoo, mijn waarde zoon! Het verwondert me trouwens heelemaal niet. Zijn Eminentie is zoo goed!”
“Ik moet u dan ook eerlijk bekennen, dat ik met een verlicht hart en vol goeden moed naar Rome teruggekeerd ben. Ik heb een gevoel, alsof ik mijn proces al half gewonnen heb.”
“Dat is heel natuurlijk. Ik begrijp het volkomen.”
Nani glimlachte nog steeds zijn fijn geestig glimlachje, waarin een zweem van ironie niet te miskennen viel, maar zoo gemaskeerd, dat men het scherpe ervan niet voelde. Na een kort zwijgen voegde hij er heel eenvoudig aan toe:
“Maar het ongeluk wil, dat uw boek eergisteren veroordeeld is door de Indexcongregatie, die voor uw zaak speciaal na een oproeping van den secretaris bijeengekomen is. Zelfs zal het besluit overmorgen aan Zijne Heiligheid ter onderteekening voorgelegd worden.”
Verbijsterd keek Pierre hem aan. De instorting van het oude paleis boven zijn hoofd zou hem niet meer verstomd hebben doen staan. Het was dus beslist! De reis, die hij naar Rome gemaakt had liep dus uit op deze nederlaag, die hij zoo plotseling en bruusk midden onder dit feest vernam. En hij had zich zelfs niet kunnen verdedigen, hij had zijn tijd verloren, zonder iemand gevonden te hebben, met wien hij zijn zaak bespreken, voor wien hij zijn zaak bepleiten kon. Een woede rees in hem op en hij kon de halfgefluisterde bittere woorden, die in hem opkwamen, niet inhouden.
“O, wat heeft men mij voor den gek gehouden! Die kardinaal, die vanochtend nog tegen mij zeide: “Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!” Ja, ja, nu begrijp ik het, hij speelde met woorden, hij wenschte me slechts een onheil toe, opdat ik door mijn onderwerping den hemel zou winnen … Me onderwerpen, o, dat kan ik niet, dat kan ik nog niet! Mijn hart is vol verontwaardiging en verdriet.”
Nani luisterde naar hem en sloeg hem oplettend gade.
“Maar, mijn waarde zoon, niets staat nog vast, zoolang de paus niet geteekend heeft. Gij hebt den geheelen dag van morgen en den ochtend van overmorgen nog voor u. Een wonder is altijd mogelijk.”
En terwijl Narcisse, de op lange halzen en kinderlijke boezems verliefde aestheticus, naar de dames keek, nam hij Pierre ter zijde en fluisterde hem in:
“Ik moet u onder de diepste geheimhouding iets mededeelen … Kom straks tijdens den cotillon even bij me in de kleine spiegelzaal. Daar zullen we op ons gemak kunnen spreken.”
Pierre beloofde het met een hoofdknikje; de prelaat verwijderde zich ongemerkt en verdween in de menigte. Maar de ooren van den priester gonsden, hij kon niet meer hopen. Wat zou hij in één dag kunnen doen, nu hij drie maanden verloren had zonder er in geslaagd te zijn door den paus ontvangen te worden. In zijn verdooving hoorde hij hoe plotseling Narcisse over kunst begon te spreken.
“Het is verwonderlijk, zooals het vrouwenlichaam sedert onze verschrikkelijke democratische tijden verminderd is. Het wordt dik, akelig alledaagsch. Kijk zelf maar, geen enkele van al deze dames heeft de Florentijnsche lijn, de kleine borst, de slanke, koninklijke hals …”
Hij viel zichzelf in de rede en riep:
“Ja, toch een, die het vrijwel bereikt, die blonde daar met de bandeaux … Monsignor Fornaro spreekt haar juist aan!”
Sedert enkele oogenblikken ging monsignor Fornaro met zijn vriendelijk veroveraarsgezicht van de eene dame naar de andere. Hij was dien avond met zijn groote, decoratieve figuur, zijn blozende wangen en zijn zegepralende lieftalligheid buitengewoon knap. Er deden geen verdachte praatjes de ronde omtrent hem; men beschouwde hem eenvoudig als een galanten prelaat, die gaarne in het gezelschap van dames verkeert. Hij bleef staan, praatte, boog zich over de bloote schouders, raakte die even aan en ademde haar geur met vochtige lippen en lachende oogen en een soort vrome verrukking in.
Hij zag Narcisse, met wien hij veel omging, en kwam naar hem toe. De jonge man moest hem begroeten.
“Gaat het goed, monsignor, sedert de laatste maal, dat ik de eer had u op de ambassade te zien?”
“Uitstekend, uitstekend!… Een schitterend feest, niet?”
Pierre had een buiging gemaakt. Dat was de man, wiens rapport tot de veroordeeling van zijn boek geleid had. Maar vooral nam hij hem zijn fleemende manieren, de leugenachtige beloften kwalijk, die hij hem bij zijn zoo vriendelijke ontvangst gedaan had. De sluwe prelaat scheen blijkbaar te voelen, dat hij het besluit der congregatie vernomen had, en vond het meer in overeenstemming met zijn waardigheid hem niet openlijk te herkennen. Glimlachend beantwoordde hij de buiging met een hoofdknikje.
“Wat een menschen!” herhaalde hij. “En wat een mooie vrouwen! Je zal je straks in dezen salon niet meer kunnen roeren.”
Alle zitplaatsen waren nu door dames ingenomen; het begon in den viooltjesgeur, die door de uitwasemingen der blonde of bruine nekken verwarmd werd, benauwd te worden. De waaiers bewogen zich nu sneller, uit het toenemend lawaai steeg luid gelach op; in het geroezemoes der gesprekken hoorde men steeds weer dezelfde woorden. Blijkbaar was ergens een gerucht opgedoken, dat men elkaar influisterde en dat het eene groepje na het andere in koortsachtige opwinding bracht.
Monsignor Fornaro, die uitstekend op de hoogte was, wilde zelf het nieuws, dat men nog niet hardop durfde zeggen, vertellen.
“Weet u, wat de dames zoo opgewonden maakt?”
“De gezondheidstoestand van den Heiligen Vader toch niet?” vroeg Pierre ongerust. “Die is toch niet erger geworden vanavond?”
De prelaat keek hem verbaasd aan. Dan eenigszins ongeduldig:
“O neen, geen quaestie van! Zijne Heiligheid voelt zich veel beter, Goddank! Iemand van het Vaticaan vertelde me zooeven, dat de paus vanmiddag opgestaan is en zooals gewoonlijk zijn intieme vrienden ontvangen heeft.”
“Maar men is toch bang geweest,” mengde Narcisse zich in het gesprek. “Ik wil eerlijk bekennen, dat we op de ambassade allesbehalve gerust waren, want op dit oogenblik zou een conclave een ernstige zaak voor Frankrijk zijn. Het zou er in het geheel geen macht hebben. Het is een groote fout van onze republikeinsche regeering het pausschap als een quantité négligeable te beschouwen … Maar weet men eigenlijk ooit met zekerheid of de paus ziek is of niet? Ik heb uit zeer vertrouwbare bron gehoord, dat hij den vorigen winter, toen niemand er met één woord over sprak, op den rand van het graf geweest is, terwijl de vorige maal, toen alle couranten hem bijna dood waanden, ik persoonlijk hem heel opgewekt en vroolijk gezien heb … Hij is, geloof ik, ziek, wanneer het noodig is.”
Met een vlug gebaar schoof monsignor Fornaro dit lastige onderwerp ter zijde.
“Neen, neen, men is weer heelemaal gerustgesteld, er wordt zelfs niet eens meer over gesproken. Neen, de dames winden zich zoo op, omdat vandaag de Conciliecongregatie zich in het proces-Prada met een groote meerderheid van stemmen voor de nietigverklaring van het huwelijk uitgesproken heeft.”
Dat was een nieuwe ontroering voor Pierre. Daar hij bij zijn terugkeer uit Frascati geen tijd gehad had om in den palazzo Boccanera iemand te spreken, was hij bang, dat het een valsch gerucht zou kunnen zijn. De prelaat meende er zijn woord van eer op te moeten geven.
“Er is geen twijfel mogelijk, ik weet het van een van de leden der congregatie.”
Maar plotseling excuseerde hij zich.
“Neem me niet kwalijk, maar ik zie daar een dame, die ik moet gaan begroeten!”
Hij liep regelrecht naar haar toe. Daar hij niet kon gaan zitten, bleef hij staan, zijn hooge gestalte wat voorover buigend, als hulde hij de jonge, knappe, laag gedecolleteerde vrouw, die bij de zachte aanraking van den kleinen violetzijden mantel luid òplachte, in zijn galante hoffelijkheid.
“U kent die dame toch wel?” vroeg Narcisse aan Pierre. “Niet?… Dat is de vriendin van graaf Prada, de allercharmantste Lisbeth Kauffmann, die hem zoo’n flinken jongen geschonken heeft en nu vanavond voor het eerst weer uitgaat … U weet, dat zij een Duitsche is, hier haar man verloren heeft en vrij aardig schildert. Er wordt hier van de dames der vreemdelingenkolonie veel door de vingers gezien, en deze is door de vriendelijkheid, waarmede zij in haar klein paleis in de Via Principe Amadeo ontvangt, bijzonder geliefd … U begrijpt wat een pleizier zij hebben zal in het gerucht omtrent de nietigverklaring van het huwelijk.”
De hoogblonde, blozende, zeer opgewekte Lisbeth met haar als satijn zoo zachte huid, haar blank gezichtje, haar lichtblauwe oogen, haar om zijn vriendelijk glimlachje beroemden mond, was inderdaad een bekoorlijk persoontje. En in haar witzijden kleed met gouden loovertjes zag zij er dien avond zóó levenslustig uit, zóó gelukkig in haar zekerheid vrij te zijn, lief te hebben en bemind te worden, dat het gerucht, dat men elkaar influisterde, de boosaardigheden, die achter de waaiers gezegd werden, zich in een triomf voor haar scheen te veranderen. Aller blikken waren een oogenblik op haar gericht. Men herhaalde haar woorden tegen Prada, toen zij zich zwanger voelde van een man, dien de Kerk heden impotent verklaarde: “Arme jongen, dan moet ik zeker van een kleinen Jezus bevallen!” Er klonk onderdrukt gelach, oneerbiedige grappen gingen van mond tot mond, terwijl zij stralend in haar opgewekte kalmte, met een blos van verrukking luisterde naar de galanterieën van monsignor Fornaro, die haar zijn compliment maakte over een doek, een Heilige Maagd met een lelie, dat zij tentoongesteld had.
O, welk een opwinding verwekte deze nietigverklaring, welke sedert een jaar de chronique scandaleuse van Rome vormde, nog een laatste maal, nu de tijding daarvan midden in dit bal viel. De witte en de zwarte kringen hadden haar reeds lang als een slagveld uitgekozen, om elkaar met de ongelooflijkste lasterpraatjes, met eindelooze kwaadsprekerijen te bestoken. Ditmaal was het uit. Het onverzettelijke en onverstoorbare Vaticaan durfde de nietigverklaring uitspreken onder het voorwendsel, dat het huwlijk ten gevolge van de onmacht van den echtgenoot niet voltrokken had kunnen worden. Heel Rome zou erom lachen; zoodra het om de geldelijke aangelegenheden van de Kerk ging, stak het Romeinsche publiek zijn scepticisme niet onder stoelen of banken. Iedereen kende de verschillende phases van den strijd, iedereen wist, dat Prada zich, ondanks zijn heftige verontwaardiging, afzijdig gehouden had, dat de Boccanera’s hemel en aarde bewogen hadden, dat onder de creaturen van de kardinalen geld rondgedeeld was, om hun invloed te koopen, dat men de gunstige memorie van monsignor Palma indirect met een groote som betaald had. Men sprak van meer dan honderdduizend francs bij elkaar, wat men niet te duur vond, daar de echtscheiding van een Fransche gravin bijna een millioen gekost had. De Heilige Vader heeft ook zooveel noodig! Niemand echter ergerde er zich aan, men bepaalde er zich toe er grappen over te maken.
“Wat zal de contessina gelukkig zijn!” begon Pierre weer. “Ik begreep daareven niet, waarom haar kleine vriendin zeide, dat zij vanavond zoo gelukkig en mooi zou zijn … Zeker komt zij daarom—zij, die zich sedert het proces als in rouw beschouwde!”
Maar Lisbeth had Narcisse, wiens blik zij ontmoet had, toegelachen en hij moest haar dus wel gaan begroeten, want hij kende haar, daar hij, evenals de geheele vreemdelingenkolonie, haar atelier bezocht had. Hij begaf zich weer terug naar Pierre, toen een nieuwe emotie de diamanten aigrettes en de bloemen van het kapsel der dames deed trillen. Men keek om, het geroezemoes der stemmen werd luider.
Met onbevangen, vroolijken, bijna triompheerenden blik kwam Prada binnen. Met zijn open, harde oogen, zijn energieken kop met de zware, bruine snor boven het breede, witte plastron van zijn overhemd, dat door zijn smoking zwart omlijst werd, had hij, zooals Narcisse zeide, werkelijk iets van een roofdier over zich. Nog nooit had zijn vraatzuchtige mond zijn wolvengebit door zijn verrukt-zinnelijken lach zóó doen uitkomen. Met een vluggen blik ontkleedde hij alle vrouwen. Maar toen hij de zoo blozende en blonde Lisbeth zag, ontspanden zijn trekken zich wat en ging hij naar haar toe, zonder zich in het minst te bekommeren om de brandend-nieuwsgierige blikken, waarmede men hem opnam. Hij boog zich over haar heen en sprak zacht met haar, zoodra monsignor Fornaro hem zijn plaats afgestaan had. Ongetwijfeld werd het in omloop zijnde gerucht door de jonge vrouw bevestigd, want hij lachte, toen hij zich weer oprichtte, eenigszins gedwongen.
Nu zag hij Pierre en hij voegde zich bij hem in de vensternis. Hij drukte ook Narcisse de hand en zeide dan onmiddellijk met zijn gewone bravoure tegen Pierre:
“Nu, wat heb ik u gezegd, toen we vanmiddag uit Frascati terugreden … Het schijnt nu zeker te zijn, zij hebben mijn huwlijk nietig verklaard … Het is zoo grof, zoo onbeschaamd, zoo idioot-stom, dat ik er daareven nog aan twijfelde.”
“O, het is beslist zeker,” veroorloofde Pierre zich te zeggen. “Het is ons zoo juist bevestigd door monsignor Fornaro, die het van een der leden van de Congregatie wist. En men zegt, dat de congregatie zich met een groote meerderheid voor de nietigverklaring uitgesproken heeft.”
Weer schudde Prada van het lachen.
“Je kan je eigenlijk zoo’n klucht niet indenken. Het is, zoover ik weet, de mooiste klap, die men ooit aan de gerechtigheid en aan het gezonde verstand gegeven heeft. Wanneer het nu ook nog lukt om van de burgerlijke autoriteiten echtscheiding te krijgen en mijn vriendin, die u daar ziet, het wil, dan kan Rome pleizier hebben. Ja zeker, ik zal met alle pracht en praal met haar in de S. Maria Maggiore trouwen. En dan leeft er ergens een klein wezentje, dat op den arm van zijn min het feest zal meemaken!”
Hij lachte bij deze toespeling op zijn kind, het levend bewijs van zijn manlijkheid, te luid en te brutaal. Leed hij nog onder den smaad, dat er een plooi om zijn lippen kwam, die deze wat optrok en zijn witte tanden liet zien? Men voelde, dat hij beefde, dat hij streed tegen het ontwaken van een heimelijken, stormachtigen hartstocht, dien hij niet eens aan zichzelf bekende.
“En weet u ook het andere nieuws, waarde abbé?” ging hij druk doende voort. “Heeft men u al verteld, dat de gravin komen zal?”
Zoo noemde hij Benedetta uit gewoonte; hij vergat, dat zij zijn vrouw niet meer was.
“Ja, dat heeft men mij verteld,” antwoordde Pierre.
Een oogenblik aarzelde hij, voor hij in zijn behoefte om iedere pijnlijke verrassing te voorkomen, eraan toevoegde:
“Ongetwijfeld zullen we ook prins Dario zien, want hij is niet naar Napels gegaan, zooals ik u vanmiddag zeide. Er is, geloof ik, op het laatste oogenblik wat tusschenbeide gekomen.”
Prada lachte niet meer, doch mompelde, terwijl zijn gezicht plotseling ernstig werd:
“Zoo, komt de neef ook? Nu, dan zullen we ze beiden zien.”
En terwijl de beide vrienden hun gesprek voortzetten, zweeg hij, overweldigd door een stroom van ernstige gedachten, die hem tot nadenken dwongen. Dan maakte hij een verontschuldigend gebaar, ging nog wat dieper in de vensternis staan, haalde een notitieboekje uit zijn zak, scheurde er een blaadje uit, waarop hij met dikke letters met potlood de volgende regels schreef: “Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen”. Dan vouwde hij het blaadje papier toe, plakte er een postzegel op en schreef het adres: “Aan Zijne Zeer Eerwaarde en Doorluchtige Eminentie kardinaal Boccanera”. Toen hij dat alles weer in zijn zak gestoken had, haalde hij diep adem en vond zijn lach weer terug.
Iets als een onoverwinlijk gevoel van vrees en van angst had hem verstijfd. Zonder dat hij het bepaald beredeneerde, voelde hij een drang om zich tegen de verleiding van een mogelijke gruweldaad te vrijwaren. Maar hij zou de ideeënverbinding, welke hem dwong die vier regels onmiddellijk en op de plaats zelf, waar hij zich bevond, te schrijven, niet hebben kunnen verklaren. Hij had slechts één vaststaande gedachte: hij zou den brief na het bal in de brievenbus van kardinaal Boccanera werpen. Nu was hij rustig.
“Wat hebt u toch, waarde abbé?” vroeg hij, zich weer in het gesprek mengend. “U ziet er zoo somber uit.”
En toen Pierre hem de slechte tijding medegedeeld had, dat zijn boek veroordeeld was, dat hij nog maar één dag had, om te handelen, als hij niet wilde, dat zijn reis naar Rome een nederlaag werd, riep hij, alsof hij zelf een behoefte aan opwinding, aan verdooving voelde, om ondanks alles te kunnen hopen en leven:
“Kom, kom, den moed niet verloren. Een dag is heel veel, je kunt in een dag heel wat doen! Een uur, een minuut is voldoende voor het noodlot om te handelen en een nederlaag in een overwinning te veranderen.”
En opgewonden voegde hij eraan toe:
“Kom, laten we naar de balzaal gaan. Het moet daar prachtig zijn!”
Terwijl Pierre en Narcisse hem volgden, wisselde hij een laatsten blik vol liefde met Lisbeth; met moeite drongen zij zich door de menigte heen en kwamen te midden van de zich haastende vrouwenrokken, de deining van nekken en schouders, waaruit de leven gevende hartstocht, de geur van liefde en dood opsteeg, in de galerij ernaast.
De tien meter breede en twintig meter lange zaal ontvouwde zich in een schitterende pracht. De acht kale, noch met gordijnen noch met vitrage voorziene ramen, die op den Corso uitzagen, deden de tegenoverliggende huizen ontvlammen. Het was een verblindend licht; zeven paar reusachtige marmeren kandelabers werden door electrische lampen in reusachtige pekfakkels veranderd, terwijl in de hoogte langs de kroonlijsten andere in lichte bloemen opgesloten lampjes een wondermooie guirlande van vlammenbloemen, tulpen, pioenen en rozen vormden. Het oude, roode, met goud omzoomde fluweel van het behang, kreeg een gloed als van een vlammend kolenvuur. De draperieën aan de deuren en vensters waren van oude kant, die in gekleurde zijde eveneens met krachtig levende bloemen bestikt waren.
Maar de weergalooze rijkdom, die eenig in de wereld was, werd gevormd door de verzameling meesterwerken onder het prachtige plafond met zijn met goudrosetten versierde vakken. Geen museum had een mooiere collectie. Er waren Raffaëls, Titiaans, Rembrandts, Rubens, Velasquez en Ribera’s—wereldberoemde werken, welke in deze onverwachte belichting plotseling in triompheerende jeugd verschenen, als waren zij weder ontwaakt tot het onsterfelijke leven van het genie. Daar Hunne Majesteiten eerst tegen middernacht zouden komen, was het bal reeds geopend; een wals sleepte de paren mede, lichte toiletten vlogen door de menigte, één stroom van decoratie en kleinoodiën, met goud geborduurde uniformen en met parelen versierde japonnen.
“Het is werkelijk schitterend,” zeide Prada op zijn nog steeds opgewonden toon. “Kom hier, dan gaan we weer in een vensternis staan. Er is geen betere plaats om goed te zien, zonder te erg in het gedrang te komen.”
Zij hadden Narcisse verloren, zoodat Pierre en de graaf, toen zij eindelijk in hun nis kwamen, samen waren. Het op een kleine estrade achter in de zaal geplaatste orkest had de wals juist geëindigd en de dames liepen weer langzaam met verrukte gezichten door de steeds grooter wordende menigte, toen een paar personen verschenen, wier binnentreden allen deed omkijken. Donna Serafina, in een toilet van karmijnroode zijde, als droeg zij de kleuren van haar broeder, den kardinaal, maakte als een koningin haar entree aan den arm van advocaat Morano. Nooit had zij haar dunne, jongemeisjesachtige taille meer ingeregen, nog nooit had haar hard, met groote rimpels doorgroefd, door haar grijs haar nauwlijks verzacht gelaat een zoo koppige en zegepralende heerschzucht uitgedrukt. Een bescheiden, goedkeurend gemompel, een zucht van algemeene verlichting steeg op, want de Romeinsche kringen hadden het onwaardige gedrag van Morano, om een dertigjarige liaison, waaraan de salons zich gewend hadden als aan een wettig huwlijk, eenstemmig veroordeeld. Men sprak van een onmogelijke gril voor een burgermeisje, van een laag voorwendsel tot een breuk, die het gevolg zou zijn van een twist naar aanleiding van Benedetta’s echtscheidingsproces. De breuk had ongeveer twee maanden geduurd tot groote ergernis van Rome, waar men nog steeds een groote vereering koestert voor lange, trouwe liefdeverhoudingen. De verzoening ontroerde dan ook alle harten als een der gelukkigste gevolgen van het dienzelfden dag voor de Conciliecongregatie gewonnen proces. Morano weer berouwvol verschijnend aan den arm van donna Serafina—dat was de overwinning der liefde, de redding der goede zeden, het herstel van de orde.
Maar een nog grootere sensatie verwekte het binnentreden van Benedetta aan de zijde van Dario. Deze kalme onverschilligheid voor de gewone convenances, deze overwinning van haar in het openbaar beleden liefde op denzelfden dag, dat haar huwlijk nietig verklaard was, leek een zoo aantrekkelijke vermetelheid, een zoo kranige bravoure van jeugd en hoop, dat een algemeen gemompel van bewondering haar dadelijk vergiffenis schonk. Evenals zooeven naar Celia en Attilio, vlogen thans aller harten naar hen om den schoonheidsglans, waarin zij straalden, om het groote geluk, dat uitging van hun gezichten. Dario, nog wat bleek door zijn lange bedlegerigheid, had bij zijn eenigszins teere zwakheid, zijn mooie, heldere kinderoogen, zijn bruine baard, welke kroesde als die van een jongen god, toch iets fiers en trotsch, waarin men het oude, vorstelijke bloed der Boccanera’s terugvond. Benedetta, blank onder haar kroon van donkere lokken, heel kalm, heel vastberaden, liet haar helder lachje hooren, dat bij haar zoo zeldzaam lachje, dat in zijn onweerstaanbaar verleidelijke bekoring, haar als het ware tot een ander wezen maakte, aan haar eenigszins krachtigen mond den charme van een bloem gaf en haar groote, donkere, ondoorgrondelijke oogen met de helderheid als van een onbewolkten hemel vulde.
In haar terugkeerende, zoo vroolijke, zoo mooie jeugd had zij de kostelijke ingeving gekregen een witte japon aan te trekken, een heel eenvoudige jongemeisjesjapon, die als het ware het symbool was van haar maagdelijkheid, en verkondigde, dat zij de groote, reine lelie gebleven was voor den echtgenoot harer keuze. Niets van haar lichaam was te zien, zelfs was de toch aan ieder jong meisje veroorloofde uitsnijding aan haar hals niet in haar japon aangebracht. Het was het ondoordringbare, angstaanjagende liefdesmysterie, een verheven vrouwenschoonheid, die hier, in het wit gehuld sluimerde. Geen parure, geen juweel aan haar handen of in haar ooren. Alleen op haar corsage een collier, de collier van een koningin, de beroemde paarlencollier der Boccanera’s, dien zij van haar moeder geërfd had en dien geheel Rome kende, fabelachtig groote parelen, die zij nonchalant om haar hals geworpen had, maar die, ondanks haar eenvoudige japon, voldoende waren haar een koningin te doen schijnen.
“O,” prevelde Pierre in extase; “wat is zij mooi, wat is zij gelukkig!”
Onmiddellijk had hij er spijt van zoo hardop gedacht te hebben, want hij hoorde naast zich een doffen klaagtoon als van een wild dier, een onwillekeurig gebrom, dat hem er plotseling aan herinnerde, dat de graaf naast hem stond. Maar deze verstikte dadelijk den kreet van zijn zoo ruw weer geopende wond en vond zelfs nog de kracht een brutale vroolijkheid te huichelen.
“Bliksems, zij durven. Straks zullen ze nog in tegenwoordigheid van ons allen trouwen en naar bed gaan!”
Maar dan had hij spijt van die ruwe scherts, waarin de pijn van zijn onbevredigde mannelijke begeerte zich maar al te duidelijk deed gevoelen, en nam hij een onverschillige houding aan.
“Zij is werkelijk mooi vanavond. U moet weten, dat zij de mooiste schouders van de wereld heeft; het is een groot succes voor haar, dat zij nog mooier lijkt, nu zij ze niet laat zien.”
Het gelukte hem onverschillig verder te praten en nog allerlei kleine bijzonderheden te vertellen omtrent haar, die hij hardnekkig “gravin” bleef noemen. Maar hij had zich, blijkbaar uit vrees, dat men zijn bleekheid en het zenuwachtige trekken van zijn lippen opmerken zou, wat dieper in de vensternis teruggetrokken. Hij was niet meer in staat te strijden, naast de zoo naïef ten toon gespreide vreugde van het jonge paar lachend en onbeschaamd op te treden, zoodat de komst van het koninklijk echtpaar een groote opluchting voor hem was.
“Daar zijn Hunne Majesteiten,” riep hij, terwijl hij door het raam keek. “Kijk eens wat een gedrang op straat!”
Inderdaad drong, niettegenstaande de ramen gesloten waren, het tumult van een groote menigte in de zaal door. Toen Pierre naar buiten keek, zag hij in het licht der electrische lampen een deinende zee van menschenhoofden den rijweg overstroomen en om de koetsen heendringen. Reeds had hij op zijn dagelijksche wandelingen in de villa Borghese den koning ontmoet, die daar, als een eenvoudig burger, zonder gevolg of escorte, alleen vergezeld door een aide-de-camp, heen reed. Dikwijls was hij heelemaal alleen en stuurde zelf een lichten phaëton, waarin nog slechts een rijknecht in zwarte livrei zat. Zelfs had hij eenmaal de koningin medegenomen en beiden zaten naast elkaar als een gelukkig echtpaar, dat voor zijn pleizier uit is. Ook nog andere bijzonderheden omtrent het Quirinaal waren Pierre ter oore gekomen: men had hem verteld van de goedheid en den eenvoud van den koning, van zijn verlangen naar vrede, van zijn hartstocht voor de jacht, voor de eenzaamheid in het vrije veld, die hem in zijn afkeer voor de macht dikwijls van een ongedwongen leven deed droomen—ver van die autoritaire heerscherswerkzaamheden, waarvoor hij niet geschapen scheen te zijn. Maar vooral de koningin werd aangebeden; zij was zeer beschaafd, ontwikkeld, goed op de hoogte van talen en letterkunde en voelde zich gelukkig intelligent te zijn en ver boven haar omgeving uit te steken. Zij wist het en liet het gaarne met een volmaakte lieftalligheid blijken.
Prada, die evenals Pierre zijn gezicht tegen het raam gedrukt hield, wees hem met een gebaar op de menigte.
“Nu zij de koningin gezien hebben, zullen zij gelukkig en tevreden gaan slapen. En er is, dat verzeker ik u, daar beneden geen enkele politie-agent … O, bemind te worden, bemind te worden!”
Zijn pijn overweldigde hem weer; hij wendde zich opnieuw naar de galerij.
“Let goed op, waarde heer. De entree van Hunne Majesteiten mag u niet missen, dat is het mooiste van het geheele feest.”
Enkele minuten verliepen; dan hield het orkest plotseling midden in een polka op en zette met al de kracht van zijn koperen instrumenten de koningsmarsch in. De dansers maakten het midden van de zaal vrij. Begeleid door prins en prinses Buongiovanni, die hen beneden aan de trap ontvangen hadden, traden Hunne Majesteiten binnen. De koning was eenvoudig in rok, de koningin droeg een stroogele, met prachtige witte kant gegarneerde japon van satijn; onder den diadeem van brillanten, die haar mooi blond haar omgaf, straalde een rond, frisch, jeugdig gezichtje vol vriendelijkheid, zachtheid en geest. De muziek speelde nog steeds met geestdriftig-verwelkomende heftigheid. Achter haar vader en haar moeder kwam Celia, dan Attilio, de Sacco’s, bloedverwanten en officieele persoonlijkheden.
Eindelijk zweeg het orkest en kon men met het voorstellen beginnen. Hunne Majesteiten, die Celia reeds kenden, wenschten haar met ouderlijke vriendelijkheid geluk. Maar Sacco stond er, als minister zoowel als vader, op zijn zoon Attilio voor te stellen. De kleine man kromde zijn lenige ruggegraat, wist de passende mooie woorden te vinden, zoodat hij den luitenant voor den koning deed buigen, terwijl hij voor de koningin de huldiging van den knappen, zoo hartstochtelijk beminden jongen man reserveerde. Weer toonden Hunne Majesteiten een groote vriendelijkheid, zelfs tegenover mevrouw Sacco, die zich als altijd bescheiden op den achtergrond hield. Doch dan gebeurde iets, dat, van salon tot salon verder verteld, eindelooze commentaren zou verwekken. Toen de koningin Benedetta zag, die graaf Prada haar na zijn huwlijk voorgesteld had en voor wie zij om haar schoonheid en haar charme een bewonderende sympathie had opgevat, lachte zij haar toe, zoodat de jonge vrouw wel naar haar toe moest gaan en de buitengewone onderscheiding genoot eenige oogenblikken een gesprek te mogen voeren, waarin de koningin haar enkele vriendelijke woorden toevoegde, die alle omstanders konden hooren.
Blijkbaar wist de koningin niets van de groote gebeurtenis van den dag, het nietig verklaarde huwlijk met Prada, de aanstaande echtverbintenis met Dario, die bij dit feest openlijk geannonceerd werd, zoodat dit thans als het ware gegeven werd voor een dubbele verloving. Maar de indruk was er niet minder om, men sprak over niets meer dan over de complimenten, die de deugdzaamste en intelligentste van alle koninginnen tot Benedetta gericht had. Haar triomf werd er des te grooter door; zij werd in dit geluk eindelijk den uitverkoren echtgenoot toe te behooren, nog mooier, nog trotscher, nog zegepralender.
Het was voor Prada een onuitsprekelijke kwelling. Terwijl de souvereinen cercle bleven houden, de koningin van de dames, die haar kwamen begroeten, de koning voor de officieren, diplomaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, zag Prada niets anders dan Benedetta, die geluk gewenscht, gevleid, door liefde en roem omgeven werd. Dario stond naast haar, genoot en straalde met haar. Voor hen werd het bal gegeven, voor hen schitterden de lampen, voor hen speelde het orkest, hadden de mooie vrouwen van Rome zich gedecolleteerd, en prijkten nu met haar van diamanten fonkelende boezems; voor hen waren Hunne Majesteiten op de klanken van de koningsmarsch gekomen; voor hen veranderde dit feest in een apotheose; voor hen glimlachte een aangebeden vorstin; voor hen bracht zij als de goede fee uit de sprookjes, wier komst het geluk der jonggeborenen verzekert, aan dit verlovingsfeest het geschenk van haar aanwezigheid!
Dit uur van buitengewone schittering beteekende het toppunt van geluk en jubel, de zege van deze vrouw, wier schoonheid de zijne geweest was, zonder dat hij haar had kunnen bezitten, de zege van dezen man, die haar hem nu ontrooven zou—een zoo openlijke, voor hem zoo smadelijke zege, dat zij hem, brandend als een kaakslag, midden in zijn gezicht trof. Maar niet alleen zijn hoogmoed en zijn hartstocht bloedden, door den triomf der Sacco’s voelde hij zich ook in zijn vermogen bedreigd. Was het dus waar, dat het verschrikkelijke klimaat van Rome ten slotte de ruwe veroveraars van het Noorden bedierf, dat hij dit gevoel van moeheid en uitputting kreeg. Dezen zelfden dag had hij in Frascati bij die ongelukkige bouwgeschiedenis zijn fortuin hooren kraken, hoewel hij zich nog niet bekennen wilde, dat zijn zaken, zooals het gerucht wilde, slecht stonden.
En nu zag hij dezen avond te midden van het feest het Zuiden overwinnen, zag hij Sacco de overhand krijgen als een, die op zijn gemak leeft van de warme buit, welke hij gulzig in de brandende zon gemaakt heeft. Sacco, de minister, Sacco, de vertrouwde des konings, Sacco, die zich door het huwlijk van zijn zoon verbond met een der edelste families van de Romeinsche aristocratie, die op weg was eenmaal de meester van Rome en Italië te worden, die nu reeds met volle handen in het geld en in het volk wroette—die Sacco was een nieuwe slag voor de ijdelheid, voor de altijd nog weer vraatzuchtige en gulzige begeerten van dezen genotzoeker, die zich vóór het einde van het feestgelag van de tafel gedrongen zag! Alles stortte ineen, niets bleef hem over: Sacco ontstal hem zijn millioenen, Benedetta liet in hem die vreeselijke wonde van onbevredigde zinsbegeerte achter, waarvan hij nooit meer genezen zou.
Op dat oogenblik hoorde Pierre weer dien klaagtoon als van een wild dier, dat onwillekeurige en wanhopige gebrom, dat hem reeds eenmaal zoo onaangenaam getroffen had. Hij keek den graaf aan en vroeg:
“Hebt u pijn?”
Maar bij het zien van dezen bleeken man, die door een bovenmenschelijke krachtsinspanning een groote kalmte wist te bewaren, had hij onmiddellijk reeds spijt om die indiscrete vraag, welke trouwens onbeantwoord bleef. Om hem wat af te leiden, sprak hij luide de gedachten uit, die het zien van al die pracht en praal in hem opwekte.
“Uw vader had wel gelijk! Wij Franschen met onze zelfs in deze dagen van algemeenen twijfel zoo streng Katholieke opvoeding zien in Rome nog steeds het eeuwenoude Rome der pausen, zonder van de diep-ingrijpende veranderingen, die er ieder jaar meer het Italiaansche Rome van heden van maken, iets te weten, iets te kunnen begrijpen. Als u eens wist hoe ik bij mijn aankomst den koning en zijn regeering en dit jonge volk, dat bezig is zich een groote hoofdstad te scheppen, als een quantité négligeable beschouwde! Ja, in mijn droom, om tot heil der volkeren Rome, een nieuw Christelijk en Evangelisch Rome tot nieuw leven te wekken, schoof ik dat alles ter zijde, hield ik er geen rekening mede.”
Hij lachte zachtjes, had medelijden met zijn onschuldige naïeveteit; met een gebaar wees hij naar de galerij, naar prins Buongiovanni, die op dat oogenblik voor den koning boog, naar de prinses, die naar de galanterieën van Sacco luisterde—naar de overwonnen pauselijke aristocratie, naar de parvenu’s, die thans in de hoogste kringen werden toegelaten, naar de witte en de zwarte kringen, die zóó vermengd waren, dat er niets meer dan onderdanen waren, die op het punt stonden één eenig volk te vormen. Wezen bij het zien van de dagelijksche evolutie, van deze vroolijke, lachende, opgesierde mannen en vrouwen, de feiten, zoo niet de principes, erop, dat een verzoening tusschen het Quirinaal en het Vaticaan onmogelijk was? Men moest leven, liefhebben, bemind worden, nieuw leven scheppen! Het huwlijk van Celia en Attilio zou het symbool worden van de noodzakelijke vereeniging: jeugd en liefde zouden den ouden haat overwinnen, alle twisten zouden vergeten worden in de omarming van den mooien jongen man, die komt en het mooie veroverde meisje in zijn armen wegdraagt, opdat de wereld kan voortduren.
“Kijk toch eens,” zeide Pierre weer. “Hoe mooi, hoe jong, hoe vroolijk is het jonge paar, hoe lacht het de toekomst toe! Ik begrijp heel goed, dat uw koning hier gekomen is, om zijn minister een genoegen te doen en een der oudste Romeinsche families voor zijn troon te winnen. Dat is goede, flinke, vaderlijke politiek. Maar ik zou ook gaarne gelooven, dat hij de roerende beteekenis van dit huwlijk begrepen heeft: het oude Rome, dat zich in den persoon van dit mooie, zoo naïeve, zoo verliefde kind, geeft aan het jonge Italië, aan dezen zoo enthousiasten en zoo rechtschapen jongen man, die zoo kranig zijn uniform draagt. Moge hun huwlijk beslissend en vruchtbaar zijn, moge daaruit het groote land geboren worden, dat ik u, nu ik u begin te leeren kennen, zoo van harte gaarne zou zien worden.”
In zijn smart over het wankelen van zijn oud ideaal van een Evangelisch en universeel Rome had hij dien wensch voor een nieuw geluk van de eeuwige stad met een zóó diepe ontroering uitgesproken, dat Prada ondanks zichzelf antwoordde:
“Ik dank u. Dat is een wensch, die in het hart van iederen goeden Italiaan leeft.”
Maar de woorden stokten in zijn keel. Terwijl hij naar Celia en Attilio keek, zag hij hoe Benedetta en Dario met hetzelfde glimlachje van onbeperkt geluk naar hen toe gingen. En toen hij de beide paren daar zoo stralend en triompheerend van geluk en levensvreugde samen zag, had hij niet meer de kracht daar te blijven, hen te zien en te lijden:
“Ik heb een vreeselijke dorst,” zeide hij. “Ga mee aan het buffet wat drinken.”
Hij manoeuvreerde achter de menigte door, langs de ramen, om niet gezien te worden, terwijl hij naar de aan het uiteinde der galerij gelegen deur van de antieken-zaal ging.
Toen Pierre hem volgde, werden zij door een menigte menschen gescheiden; de priester werd medegevoerd in de richting van de twee paren, die nog steeds met elkaar stonden te praten. Celia, die hem zag, riep hem met een vriendschappelijk handgebaar. In haar vurige vereering voor de schoonheid stond zij in extase voor Benedetta en vouwde haar kleine lelie-handen voor haar als voor de Madonna.
“O, mijnheer de abbé, doe mij eens het groote pleizier tegen haar te zeggen, dat zij mooi is, mooier dan het mooiste dat er op aarde is, mooier dan de zon, de maan en de sterren!… O, lieveling, ik krijg er gewoon het kippenvel van, je zoo mooi te zien als het geluk, zoo mooi als de liefde!”
Benedetta begon te lachen, terwijl de jonge mannen elkaar vroolijk aankeken.
“Jij bent even mooi als ik, lieveling … Wij zijn mooi, omdat we gelukkig zijn.”
“Ja, ja, gelukkig,” herhaalde Celia zacht. “Herinner je je den avond nog wel, dat je tegen me zei, dat het niet mogelijk was den paus en den koning te laten trouwen. Nou doen Attilio en ik het en toch zijn we zóó gelukkig!”
“Maar Dario en ik doen het niet,” antwoordde Benedetta vroolijk; “integendeel! Maar herinner je nu ook jouw antwoord maar: Het is voldoende, als men elkaar liefheeft, dan redt men de wereld.”
Toen Pierre eindelijk in de antieken-zaal, waarin het buffet stond, komen kon, vond hij daar Prada onbeweeglijk staan. Hij stond als vastgenageld; zijn oogen dronken den vreeselijken aanblik in, dien hij had willen ontvluchten. Hij had zich moeten omdraaien, kijken, steeds weer kijken. Zoo zag hij met bloedend hart het weer beginnen van den dans, de eerste figuur van een quadrille, die het orkest met de volle klanken van zijn koperen instrumenten speelde. Benedetta en Dario, Celia en Attilio stonden vis-à-vis tegenover elkaar, en deze beide jonge, gelukkige paren zagen er in het schitterende licht en in de volheid en den geur van hun liefde zoo bekoorlijk, zoo aanbiddelijk uit, dat de koning en de koningin naderbij traden. Er weerklonken bewonderende bravo’s, een oneindige teederheid vloeide uit alle harten.
“Ik verga van de dorst, ga mee!” herhaalde Prada, die eindelijk de kracht vond zich uit zijn marteling los te rukken, ruw.
Hij liet zich een glas ijslimonade geven en dronk het in één teug leeg op de gulzige manier van een koortslijder, die het inwendige vuur, waardoor hij verteerd wordt, niet blusschen kan.
De antieken-zaal was een groot, met mozaïek ingelegd vertrek, waarin zich tegen de muren een beroemde collectie vasen, bas-reliefs en beelden bevond. Het marmer voerde den boventoon, hoewel er toch ook enkele bronzen waren, o. a. een stervende gladiator van onvergelijkelijke schoonheid. Maar het glanspunt vormde de beroemde Venus, een pendant van de Capitolijnsche Venus, doch fijner en slanker, terwijl de linkerarm in een gebaar van wellustige overgave afhing. Dien avond wierp een groote electrische reflector een verblindend daglicht op haar, en het marmer scheen in zijn goddelijke en reine naaktheid een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven te bezitten.
Tegen den achtermuur had men het buffet opgesteld, een lange, met een geborduurd laken bedekte tafel vol ooft, gebak en koud vleesch. Bloemruikers waren gezet tusschen champagneflesschen, warme punch, sorbets, een leger van glazen, kopjes en bekers, een grooten rijkdom van in het licht fonkelend kristal, porselein en zilverwerk. Een nieuwigheid was, dat men de eene helft der zaal gevuld had met rijen kleine tafeltjes, waaraan de gasten, in plaats van staande iets te gebruiken, konden gaan zitten en zich laten bedienen als in een café.
Pierre zag aan een dier kleine tafeltjes Narcisse met een dame zitten: toen Prada Lisbeth herkende, ging hij naar haar toe.
“U ziet, dat u mij in schoon gezelschap vindt,” zeide de gezantschapsattaché galant. “Nadat ik u verloren had, kon ik niets beters doen dan mevrouw mijn arm aanbieden en haar hierheen brengen.”
“Een prachtig denkbeeld,” zeide Lisbeth met haar beminlijk lachje; “te meer, daar ik een vreeselijken dorst had.”
Zij hadden zich café glacé laten brengen, die zij langzaam met kleine vermeillepeltjes aten.
“Ik verga ook van dorst,” zeide de graaf. “Ik kan niet genoeg drinken … U vindt het toch goed, dat we hier ook plaats nemen, waarde heer? De koffie zal me misschien wat kalmeeren … Lieve vriendin, mag ik je mijnheer den abbé Froment voorstellen, een der voornaamste jonge Fransche priesters?”
Met hun vieren bleven zij lang zoo zitten; zij praatten en maakten zich vroolijk over de gasten, die nu en dan binnenkwamen. Maar Prada bleef ondanks zijn gewone galanterie voor zijn vriendin gepreoccupeerd; sommige oogenblikken vergat hij zelfs haar tegenwoordigheid en keerden zijn oogen terug naar de galerij ernaast, vanwaar de muziek en het dansen tot hem doordrong.
“Waar zit je toch zoo aan te denken?” vroeg Lisbeth, toen zij hem zoo bleek en als in gedachten verzonken zitten zag. “Voel je je niet lekker?”
Hij gaf er geen antwoord op, maar zeide plotseling:
“Kijk, daar heb je nu het echte liefdespaar—dat is de liefde en het geluk.”
En hij wees met een bijna onmerkbaar handgebaar naar markiezin Montefiori, de moeder van Dario, en haar tweeden man Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, die vijftien jaar jonger was dan zij, dien zij met haar steeds nog prachtige vlammenoogen op den Corso opgevischt en van wien zij triomphantelijk een markies Montefiori gemaakt had, om hem geheel voor zich te bezitten. Op bals en soirées liet zij hem geen oogenblik los, hield hem tegen de etiquette in aan haar arm, liet zich door hem naar het buffet leiden, zoo gelukkig maakte het haar den mooien man, op wien zij trots was, te kunnen laten zien. Nu dronken zij beiden staande champagne en aten sandwiches—zij, ondanks haar vijftig jaar nog een buitengewone, krachtige schoonheid, hij, met zijn wapperende snor en zijn trotsche houding, een gelukkige avonturier, wiens vroolijke brutaalheid in den smaak der dames viel.
“Zij heeft hem uit een penibele zaak moeten redden,” ging de graaf op fluisterenden toon voort. “Hij handelde in reliquieën, kon met moeite zijn brood verdienen door als tusschenpersoon op te treden voor de Fransche en Belgische kloosters, en was een heelen handel in valsche reliquieën begonnen. Hier wonende Joden maakten kleine ouderwetsche reliquieën-kastjes met stukjes schapenbeen, alles met het zegel en de onderteekening van de meest authentieke autoriteiten. Men heeft de zaak, waarin eveneens drie prelaten betrokken waren, in den doofpot gestopt … Een gelukkige kerel! Kijk eens, hoe zij hem met haar oogen verslindt! En ziet hij er niet uit als een grand’seigneur, zooals hij het bord vasthoudt, waarvan zij een stukje kip eet.”
Dan bleef hij met bittere, grimmige ironie over de Romeinsche amourettes vertellen. De Romeinsche vrouwen waren onwetend, koppig en jaloersch. Wanneer een vrouw een man veroverd had, behield zij hem haar heele leven, werd hij haar eigendom, haar zaak, waarover zij op ieder uur naar welgevallen beschikte. En hij somde eindelooze liaisons op, o. a. die van donna Serafina en Morano, welke werkelijke huwlijken geworden waren; en hij spotte over het gemis aan phantasie, met die volkomen en al te drukkende overgave, met de burgerlijk makende zoenen, waaraan, wanneer er ooit een einde aan kwam, slechts een einde kon komen te midden van de onaangenaamste catastrophen.
“Maar wat scheelt je toch, lieve vriend, wat scheelt je toch?” riep Lisbeth lachende uit. “Wat je ons daar vertelt is juist heel aardig. Wanneer je van elkaar houdt, moet je altijd van elkaar houden.”
Zij zag er met haar fijne, blonde, weerbarstige haren en in haar teere, blonde naaktheid werkelijk bekoorlijk uit; Narcisse, die haar met zijn half gesloten oogen kwijnend aankeek, vergeleek haar met een figuur van Botticelli, dat hij te Florence gezien had. Pierre was weer in zijn sombere overpeinzingen teruggevallen, toen hij een dame, die voorbijliep, hoorde zeggen, dat de cotillon reeds gedanst werd. Hij herinnerde zich plotseling de afspraak, die hij met monsignor Nani gemaakt had.
“Gaat u al weg?” vroeg Prada, die zag, dat de priester afscheid nam van Lisbeth.
“Neen, neen, nog niet.”
“Dan is het goed. Ga niet weg zonder mij. Ik wil nog graag wat loopen, dan breng ik u thuis … U vindt me hier terug!”
Pierre moest twee salons doorgaan vóór hij, heelemaal aan het einde, aan de kleine spiegelzaal kwam. Het was inderdaad een wondervertrek, gehouden in een kostelijken rococostijl, en vormde een rotonde van matte spiegels in prachtig verguld en gebeeldhouwde lijsten. Zelfs aan de zoldering zetten de spiegels zich in hellende vakken voort, zoodat aan alle kanten de beelden vermenigvuldigd en tot in het oneindige teruggekaatst werden. Gelukkig waren hier geen electrische lampen aangebracht; er brandden slechts twee met rose kaarsen beladen kroonluchters. Het behang en de meubelen waren van lichtblauwe zijde.
Pierre zag onmiddellijk monsignor Nani op een lagen canapé zitten. Zooals de laatste gehoopt had, was hij geheel alleen, daar de cotillon de menigte naar de galerij gelokt had. Er heerschte een diepe stilte, nauwelijks hoorde men het orkest, dat hier in een zachten fluittoon wegstierf.
De priester excuseerde zich, dat hij op zich had laten wachten.
“Volstrekt niet noodig,” antwoordde monsignor met zijn onuitputtelijke vriendelijkheid, “ik voelde mij in dit asyl heel rustig … Toen de menigte mij te dreigend werd, ben ik hierheen gevlucht.”
Hij noemde het koninklijk echtpaar niet, maar gaf te verstaan, dat hij uit beleefdheid hun aanwezigheid vermeden had. Hij was slechts gekomen uit groote sympathie voor Celia—en ook uit een oogpunt van diplomatie, opdat het niet den schijn zou hebben, alsof het Vaticaan geheel brak met de Buongiovanni’s, de oude, in de annalen van het pausdom zoo beroemde familie. Ongetwijfeld kon het Vaticaan dit huwelijk, dat het oude Rome met het jonge koninkrijk Italië scheen te vereenigen, niet goedkeuren; maar toch wilde het niet den schijn aannemen te verdwijnen en zijn belangstelling te verliezen door zijn trouwste dienaren in den steek te laten.
“Maar nu,” ging de prelaat voort, “moeten we over u spreken, mijn waarde zoon … Ik heb u reeds gezegd, dat, al moge de Indexcongregatie tot de veroordeeling van uw boek besloten hebben, het vonnis eerst overmorgen aan den Heiligen Vader voorgelegd en door hem geteekend zal worden. Gij hebt dus nog aan geheelen dag voor u.”
Pierre kon zich niet weerhouden hem in de rede te vallen.
“Maar wat moet ik doen, monsignor? Ik heb reeds nagedacht, maar ik kan geen enkele manier, geen enkel middel vinden, om mij te verdedigen. … Zijne Heiligheid kan ik toch niet spreken, nu hij ziek is!”
“O ziek, ziek,” prevelde Nani op zijn slimme manier. “Zijne Heiligheid voelt zich reeds veel beter, want ik heb vandaag, zooals alle Woensdagen, de eer gehad door hem ontvangen te worden. Wanneer hij wat moe is en men dan zegt, dat hij ziek is, laat hij de menschen praten, dat stelt hem in staat wat te rusten.”
Maar Pierre was te wanhopig, om aandachtig te kunnen luisteren.
“Neen, het is uit,” ging hij voort. “U hebt daareven over een wonder gesproken, maar ik geloof niet meer aan wonderen. Nu ik te Rome verslagen ben, ga ik weer terug naar Parijs, waar ik den strijd zal voortzetten … Ja, mijn ziel kan er zich niet bij neerleggen, mijn hoop op redding door liefde kan niet sterven; ik zal een nieuw boek schrijven en daarin zeggen in welke nieuwe aarde de nieuwe godsdienst opgroeien moet.”
Er volgde een stilte. Nani keek hem aan met zijn heldere oogen, welker intelligente uitdrukking de scherpte van staal had. In de diepe stilte, in de zware, heete atmospheer van de kleine zaal, waarvan de spiegels de tallooze kaarsen weerkaatsten, drong plotseling een luidere uitbarsting van het orkest door. Langzame, wiegende walstonen klonken en stierven weer weg.
“Mijn waarde zoon, toorn is altijd verkeerd … Herinnert ge u, dat ik u bij uw aankomst beloofd heb, om, wanneer ge vergeefs getracht zoudt hebben door den Heiligen Vader ontvangen te worden, zelf op mijn beurt een poging te zullen doen? Neen, luister nu kalm en wind u niet op,” ging hij voort, toen hij zag, dat de priester zenuwachtig werd. “Zijne Heiligheid krijgt, helaas, niet altijd even verstandige adviezen. De paus heeft personen om zich heen, wier toewijding niet steeds met de zoo gewenschte intelligentie gepaard gaat. Ik heb u dat al meer gezegd en u voor onberaden stappen gewaarschuwd. Daarom heb ik, reeds drie weken geleden, den voorzorgsmaatregel genomen om zelf uw boek aan den Heiligen Vader ter hand te stellen, in de hoop, dat het hem zou behagen een blik daarin te slaan. Ik vermoedde wel, dat men dat nooit zou doen … En nu heb ik de opdracht gekregen u te zeggen: De Heilige Vader, die de buitengewoon groote goedheid gehad heeft uw boek te lezen, verlangt beslist u te spreken.”
Een kreet van vreugde en dank sprong uit Pierre’s keel.
“O, monsignor! O, monsignor!”
Maar Nani legde hem het zwijgen op en keek ongerust rond, als was hij bang, dat men hem zou kunnen hooren.
“Stil, stil! Het is een geheim! Zijne Heiligheid wil u particulier ontvangen, zonder iemand in het vertrouwen te nemen. Luister goed. Het is nu twee uur in den ochtend, nietwaar? Welnu vanavond om negen precies moet u zorgen aan het Vaticaan te zijn en aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen. Overal zal men u dan laten passeeren. Boven zal mijnheer Squadra u wachten en binnen brengen … Maar aan niemand een woord hierover. Geen levende ziel mag er ook maar het minste vermoeden van hebben!”
Het geluk en de dankbaarheid van Pierre kenden geen grenzen meer; hij greep de weeke, dikke handen van den prelaat.
“O, monsignor, hoe moet ik aan mijn dankbaarheid uitdrukking geven? In mijn ziel was nacht en verzet en opstand, sedert ik mij voelde als een speelbal van die machtige Eminenties, die zich vroolijk over mij maakten!… Maar u redt mij, ik ben weer zeker te zullen overwinnen, nu ik mij eindelijk aan de voeten zal kunnen werpen van Zijne Heiligheid, den Vader van alle waarheid en gerechtigheid. Hij moet mij vrijspreken—mij, die hem liefheb, die hem bewonder, die overtuigd ben nooit anders dan voor zijn politiek en voor zijn dierbaarste ideeën gestreden te hebben … Neen, neen, het is onmogelijk, hij zal niet teekenen, hij zal mijn boek niet veroordeelen!”
Nani, die zijn handen losgemaakt had, trachtte hem met een vaderlijk gebaar tot kalmte te brengen, zonder dat daarbij een minachtend glimlachje over zooveel nutteloos verspilde geestdrift van zijn lippen week. Het gelukte hem den priester te kalmeeren en hij verzocht hem dan heen te gaan. Het orkest was weer begonnen te spelen. Toen de priester, hem nogmaals dankend, wegging, zeide hij eenvoudig:
“Herinner u, mijn waarde zoon, dat alleen gehoorzaamheid groot is.”
Pierre, die nu nog slechts aan weggaan dacht, vond bijna dadelijk Prada in de wapenzaal terug. Hunne Majesteiten hadden juist, uitgeleide gedaan door de Buongiovanni’s en de Sacco’s, het bal verlaten. De koningin had Celia een moederlijken kus gegeven, terwijl de koning Attilio de hand drukte, een eer, waarover de beide families straalden. Vele gasten volgden het voorbeeld van het koninklijk echtpaar en gingen reeds in kleine groepen weg. De graaf, die buitengewoon opgewonden scheen en nog bitterder en grimmiger geworden was, brandde eveneens van ongeduld om weg te gaan.
“Bent u daar eindelijk? Ik heb op u gewacht. Laten we maken, dat we wegkomen. Uw landgenoot, mijnheer Habert, heeft mij gevraagd u te zeggen, dat u maar niet naar hem zoeken moet. Hij heeft mijn vriendin Lisbeth naar haar rijtuig gebracht … Maar ik voel behoefte aan frissche lucht; ik zal u naar de Via Giulia brengen.”
Toen zij in de garderobe hun jassen aantrokken, kon hij niet nalaten te grijnslachen en er op ruwen toon aan toe te voegen:
“Ik heb uw vrienden met hun vieren zien weggaan; en u hebt groot gelijk, dat u te voet naar huis gaat, want er was geen plaats meer voor u in de karos … Die donna Serafina! Wat een onbeschaamdheid op haar leeftijd met haar Morano hier te komen, om te geuren met den terugkeer van den trouwelooze … En die twee anderen, die twee jongen! O, ik wil volstrekt niet ontkennen, dat het me moeilijk valt kalm over hen te praten, want zij hebben vanavond door hier te verschijnen een zeldzaam brutaal en onbeschaamd stukje uitgehaald!”
Zijn handen beefden, terwijl hij nog mompelde:
“Goede reis, goede reis, jonge man, wanneer je naar Napels gaat!… Ja, ik heb gehoord, dat men tegen Celia zeide, dat hij vanavond om zes uur vertrekt. Nu, mijn beste wenschen vergezellen hem! Goede reis!”
Buiten, nu zij uit de benauwde hitte der zalen in de heldere, koele, frissche nachtlucht kwamen, voelden beide mannen zich opgelucht. Het was een prachtige vollemaannacht, een van die Romeinsche nachten, waarin de stad, als door een droom der oneindigheid gewiegd, sluimert onder den wijden hemel. Zij volgden den Corso en den Corso Victor Emanuele.
Prada was wat kalmer geworden, maar hij bleef ironisch, blijkbaar om zich te bedwelmen begon hij met een koortsachtige luidruchtigheid weer over de Romeinsche vrouwen, over het feest, dat hij schitterend gevonden had en waarover hij zich nu vroolijk maakte.
“Ja, zij hebben mooie japonnen, maar die haar niet staan, japonnen, die zij uit Parijs laten komen, maar natuurlijk niet hebben kunnen passen. Het is precies als met haar edelgesteenten, zij hebben nog diamanten en vooral buitengewoon mooie paarlen, maar zoo zwaar en grof gezet, dat zij per slot van rekening foei-leelijk zijn. En als u eens wist hoe dom en triviaal zij onder haar schijnbaren trots zijn! Alles ligt bij haar aan de oppervlakte, zelfs de godsdienst, daaronder is niets dan een onpeilbare diepte. Ik heb haar aan het buffet gulzig zien eten. Ja, eten, dat kunnen ze! Maar ik moet er u op wijzen, dat zij zich vanavond netjes gedragen hebben, ze hebben niet te veel naar binnen geschrokt. Doch als u eens een Hofbal bij kon wonen, dan zoudt u eens een plundering zien: het buffet wordt dan belegerd, de schotels verslonden, het is een gedrang van een ongekende vraatzucht!”
Pierre antwoordde slechts met monosyllaben. Hij gaf zich geheel over aan zijn groote vreugde over de audiëntie, die hij bij den paus zou hebben, droomde er reeds van, bereidde haar voor tot in de kleinste bijzonderheden, zonder er iemand deelgenoot van te kunnen maken. De stappen der beide mannen weerklonken in de breede, verlaten, lichte straat op het droge plaveisel, terwijl de maan de zwarte schaduwen duidelijk afteekende.
Plotseling zweeg Prada. Hij kon niet meer spreken; de vreeselijke strijd, die in hem woedde, had hem geheel overmand en als het ware verlamd. Tweemaal had hij reeds in zijn zak het met potlood geschreven briefje aangeraakt, waarvan hij de vier regels voor zichzelf herhaalde: “Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen.” Het briefje was er nog, hij voelde het, en hij was slechts met Pierre medegegaan, om het in de brievenbus van den palazzo Boccanera te werpen. Hij bleef met een flinken pas doorloopen, binnen tien minuten zou het briefje in de bus zijn: geen macht ter wereld zou hem kunnen beletten het erin te werpen, zijn besluit stond onherroepelijk vast. Nooit zou hij de misdaad begaan menschen te laten vergiftigen.
Maar hij onderging een zoo vreeselijke marteling! Die Benedetta en die Dario hadden zoo’n storm van ijverzuchtigen haat in hem ontketend. Hij vergat er Lisbeth door, die hij liefhad, en het kind, dat kleine wezentje van zijn vleesch en bloed, waarop hij zoo trotsch was. Altijd had de vrouw de manlijke veroveringsbegeerte in hem wakker gemaakt; alleen zij, die tegenstand boden, hadden hem echt, heftig zingenot gegeven. En nu bestond er één in de wereld, die hij gewild had, die hij gekocht had door een huwlijk, en die zich daarna niet had willen geven. Die vrouw, die de zijne geweest was, had hij nooit gehad, zou hij nooit hebben. Om haar te hebben, zou hij vroeger Rome in brand gestoken hebben; nu vroeg hij zich af, wat hij doen moest, om te verhinderen, dat zij van een ander was. Deze gedachte, de gedachte, dat die andere zou genieten van wat hem toebehoorde, opende weer de wond, die in zijn hart bloedde. Wat zouden zij zich samen vroolijk maken over hem! Wat een genot had het hun reeds gegeven hem door het rondstrooien van de leugen over zijn zoogenaamde impotentie belachelijk te maken! Hij voelde zich ondanks alle bewijzen, die hij voor zijn manlijkheid aanvoeren kon, daardoor in zijn eer getast. Zonder het zelf te gelooven, had hij hen beschuldigd, dat zij reeds sedert lang samen sliepen in dat sombere paleis Boccanera, welks liefdesgeschiedenissen legendarisch waren. Thans nu zij vrij, tenminste van de kerkelijke banden bevrijd waren, zou dat zeker het geval zijn. Hij zag ze reeds naast elkaar in hetzelfde bed, hij riep zich hartstochtelijke visioenen voor den geest, omarmingen, kussen, de verrukkingen van hun wellust. Neen, neen, neen, het was onmogelijk; eerder moest de hemel instorten!
Toen Pierre en hij den Corso Victor Emanuele verlieten, om door de oude, smalle, kronkelende straten in de Via Giulia te komen, zag hij weer, hoe hij het briefje in de bus zou werpen. Dan stelde hij zich voor hoe het verder zou gaan. Het briefje zou tot den ochtend in de bus slapen. Don Vigilio, die op speciaal bevel van den kardinaal den sleutel van de bus onder zijn berusting had, zou vroeg naar beneden komen, den brief vinden en aan Zijne Eminentie geven, die niet wilde, dat een ander de brieven opende. De vijgen zouden weggeworpen worden, er zou geen misdaad meer mogelijk zijn, de zwarte wereld zou het stilzwijgen erover bewaren. Maar wat zou er gebeuren, indien het briefje niet in de bus was? Hij ging op die veronderstelling in en zag duidelijk de zoo sierlijk met bladeren bedekte vijgen in haar mooi mandje ’s middags om één uur op tafel komen. Dario was, zooals gewoonlijk, alleen met zijn oom, daar hij pas ’s avonds naar Napels zou gaan. Oom en neef zouden samen van de vijgen eten, of slechts een van beiden—maar wie dan. Hier werd het visioen onduidelijk. Het was opnieuw de loop van het noodlot, het noodlot, dat hij op den terugrit van Frascati ontmoet had, toen het, zonder tegengehouden te worden, door alle hinderpalen heen, zijn onbekend doel tegemoet ging. Het kleine mandje vijgen ging verder, steeds verder naar de taak, die het verrichten moest; geen hand ter wereld was sterk genoeg om het te beletten.
De Via Giulia strekte zich eindeloos in het witte maanlicht uit en Pierre ontwaakte voor het zwart tegen den zilveren hemel afstekende paleis Boccanera als uit een droom. Hij voelde een rilling, toen hij naast zich dien smartelijken klaagtoon van een doodelijk gewond wild dier hoorde, het onwillekeurige gebrom, dat de graaf in zijn vreeselijken strijd zich weer ontvallen liet.
Maar onmiddellijk lachte hij spottend, terwijl hij den priester de hand drukte:
“Neen, neen, ik ga niet verder mee … Als ze me op dit uur hier zagen, zouden ze gaan denken, dat ik weer verliefd op mijn vrouw geworden was.”
Hij stak een sigaar aan en ging dan verder in den lichten nacht, zonder om te kijken.