WeRead Powered by ReaderPub
De erfenis eener moeder cover

De erfenis eener moeder

Chapter 15: ELFDE HOOFDSTUK. Onweerswolken.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a family in which a mother's posthumous legacy shapes the younger generation's choices, prompting episodes about friendship, financial pride, duty, and moral education. Through everyday scenes—school outings, household conversations, and difficult decisions about borrowing, generosity, and honour—the children and their friends confront temptations and learn practical virtues. Presented as a sequence of accessible episodes aimed at young readers, the work balances gentle instruction with engaging domestic incidents to prepare adolescents for future responsibilities.

[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

Onweerswolken.

Rudolf kwam vroolijk en opgewekt thuis. Terstond ging hij naar zijn vader en deed hem van ’t een en ander verslag. Meneer Nederhorst werd er door uit zijn kwaden luim opgewekt.

„Best, mijn jongen!” zei hij. „En dus ging dat alles goed? Ik twijfel er niet aan of je zult spoedig op de hoogte zijn. Doch vooral twee zaken, waarop men in Amsterdam op de groote kantoren zeer gesteld is: precies op tijd komen en accuratesse in zaken. Ik zal nog pleizier van je beleven en je zult mij troosten voor ’t verdriet, dat mijn andere kinderen me aandoen.”

„Hoezoo, pa?” vroeg hij.

„Dat doet er niet toe. Laat me nu alleen; ik heb nog dringende zaken, die van avond af moeten.”

Rudolf vertrok.

„’t Is goed, dat hij in andere handen geweest is,” dacht meneer Nederhorst. „Hoe gelukkig dat mijn vrouw er op aandrong, hem uit huis te doen. Wie weet, wat er van hem terecht zou zijn gekomen, zonder moederoog! O! Marie! waarom moest je me zoo vroeg ontnomen worden, of liever waarom zoo vroeg aan je kinderen ontrukt! Leonie—de [160]onverschilligheid zelf: zij taalt niet naar ’t ouderlijk huis; maar dat is haar ook te klein en te gering.… en Helène, op wie ik al mijn vertrouwen stelde.… heeft mij bedrogen—schandelijk bedrogen!”

Hij bleef eenigen tijd met de hand onder ’t hoofd zitten en gaf zich geheel en al aan zijn verdrietige gedachten over. En misschien was het goed, dat hij op die wijs nog eens op de zaak terug kwam; daar hij nu bedaarder kon denken.

„Waar ’t horloge is!” zei hij in zich zelf. „Verloren kan ze ’t niet hebben; dat is onmogelijk: want ze droeg het nooit. Of ze moest het Leonie hebben meegegeven en die moest het verloren hebben—dat is mogelijk. Maar ze heeft me verzekerd, dat ze ’t haar niet heeft gegeven, dat het niet bij den horlogemaker is. Zou ze ’t dan soms in de Bank van leening gebracht hebben! O, God! Waartoe kan iemand komen! ’t Horloge van mijn vrouw—in de Bank van leening! In alle gevallen, dan is ’t hier in de stad! Misschien heeft ze een vreemden naam opgegeven! Dat zou nog ’t verstandigst zijn. Zou ze ’t Trui hebben laten wegbrengen? Zeker wel! En dan op Trui’s naam. Daar is geen twijfel aan. Morgen ga ik naar de Bank van leening, en vraag, of er ook op dien naam een gouden dameshorloge met ketting is ingebracht.… Maar.… ik heb op ’t oogenblik geen geld genoeg om het te lossen; want wie weet, hoeveel er op gegeven is.…”

Meneer Nederhorst bleef voor eenigen tijd in diep gepeins verzonken zitten.

„Veel geld!” hernam hij weer halfluid, den draad zijner gedachten hervattende. „Waartoe kan Helène veel geld noodig gehad hebben? Aan haar toilet besteedt ze ’t niet—Leonie zei me nog, toe ze er was, dat het schande was, zooals Helène er uitzag. Maar ze heeft kleeren voor Dora en Alfred gekocht en ze me niet in rekening gebracht. Toen Walburg [161]hier met Leonie en Louise gelogeerd was, heb ik haar gezegd, dat ze geen kosten zou ontzien.… en heb ik haar geen cent meer huishoudgeld gegeven. O, zeker is ’t mijn schuld, eigenlijk de schuld mijner armoede, dat ze ’t gedaan heeft. ’t Zal haar vrij wat gekost hebben van het dierbaar kleinood harer moeder te scheiden, die ze als een heilige vereert! Arme Helène! Hoe heb ik je kunnen verdenken!… Nu zal ze zeker trachten, dat geld langzamerhand op te sparen en het dan te lossen! Dat zal lang duren en dan komt er de interest bij!… Maar waarom ’t mij niet royaal gezegd!… O, ik begrijp het: ze wilde niet, dat ik de schande zou gevoelen, dat mijn goed naar de lombard gebracht is! De slag, indien ik die zoo op eens uit haar mond gehoord had, zou mij doodelijk hebben kunnen zijn. Laat ons dus vooreerst de zaak op haar beloop laten en er over zwijgen. In alle gevallen—als Helène er niet eerst over spreekt, zwijg ik er van.”

Terwijl meneer Nederhorst zoo in zich zelf zat te redeneeren en Helène’s schuld in zijn ziel vergoelijkte, zat de arme schuldelooze en zoo zwaar verdachte op haar kamer te schreien. Ze had het verhaaltje voor haar genomen, dat ze voor het Tijdschrift van meneer Radinus bestemd had; maar de denkbeelden wilden niet komen; ze was daartoe ook in geen gemoedsstemming. Toen had ze ’t weggeborgen en het copieerwerk ter hand genomen; maar haar tranen beletten haar te werken en de letters dansten haar voor de oogen. Daar werd gescheld. ’t Was Rudolf, dat hoorde ze aan zijn stem, en hij ging terstond naar pa.—O, als hij zich maar niet versprak; want pa zou hem zeker wel naar ’t horloge vragen. Als hij zich versprak, was ’t in alle gevallen beter voor haar. Haar vader zou misschien op ’t oogenblik driftiger worden, maar veel meer tot vergiffenis gezind zijn, als hij de zaak uit Rudolfs [162]mond hoorde, dan wanneer de knaap door haar beticht was. Hij kon dan ook beter de redenen tot zijn verdediging aanbrengen, dan zij het doen kon.

Het duurde niet lang, of Rudolf verliet zijn vader’s kamer en trad de hare binnen. Vroolijk en opgeruimd als hij was over zijn welbesteden dag en de ontvangst bij zijn vader, was hij verwonderd, Helène zoo in tranen te vinden.

„Wat is er?” vroeg hij welwillend en hartelijk.

„Heeft pa je niet naar ’t horloge gevraagd?” vroeg zij.

„Naar ’t horloge? Hoe dat?”

Helène verhaalde hem, wat er gebeurd was.

„Dan ga ik ’t hem zelf vertellen,” zei Rudolf met edele verontwaardiging. „Ik wil niet, dat er door mijn schuld op jou eenige verdenking rust.”

Helène hield hem tegen.

„Laat dat,” zei ze. „Zooals de zaken nu staan, is ’t misschien beter, dat pa maar in zijn waan blijft. Ik geloof niet, dat hij op ’t oogenblik dertig gulden kan missen, om ’t horloge te lossen. En dat zou hij toch willen doen, als hij ’t wist. Dan had je kans, dat hij ’t bij oom Walburg leende, en,—je kent hem genoeg—in de eerste drift zou hij de geheele historie meedeelen. En welk een begin zou dat voor jou zijn aan de Bank? De zaak ligt er nu eenmaal toe, en in de helft, uiterlijk ’t laatst van de maand hoop ik wel zooveel bij elkander te hebben, dat ik met wat jij overgespaard hebt, de dertig gulden heb om het in te lossen.”

„Maar waarvan wil je dat bij elkander halen?” vroeg Rudolf.

„Ik werk immers voor de pers,” antwoordde Helène. „Van hetgeen ik daarmede verdien, kleed ik Dora en Alfred, maak ik de bijzondere uitgaven goed, en hoop ik ook ma’s horloge terug te krijgen.” [163]

„Maar dan ben je een opofferende engel, Helène!” riep Rudolf uit. „O, God! en dan zoo verdacht te worden! Neen, ik vlieg naar pa en werp mij voor zijn voeten! Hij moet het weten, wie de schuldige is.”

Helène stond op, vatte hem bij den arm en bracht hem naar ’t portret van hun moeder.

„Kort voor haar sterven,” zei ze plechtig, „verzocht ze mij pa ’t lot zooveel mogelijk te verzachten. De arme man heeft al genoeg verdriet. Welnu, Rudolf, op dit oogenblik sta ik hier in de plaats van onze lieve moeder, en als door haar mond smeek ik je: maak pa niet ongelukkiger dan hij reeds is. Als hij me vraagt, waarom ik ’t horloge verpand heb, kan ik hem zeggen, dat Dora en Alfred kleeren moesten hebben, dat het logeeren van oom, Louise en Leonie bijzondere onkosten eischte; ik kan hem bewijzen, dat ik geen cent aan mijn toilet heb besteed, dat ik zelfs de twee gouden tientjes, die oom mij bij zijn vertrek in de hand stopte, geheel en al aan de huishouding en een paar warme en stevige winterlaarzen voor Dora en Alfred besteed heb—en hij zal beschaamd moeten zwijgen, al moge hij ’t middel niet goed keuren. Hij weet zelf maar al te goed, hoe ik om meer bij hem heb aangehouden, en zal dan tevens vernemen, hoe ik, al wat ik met copiëeren van slecht leesbaar schrift verdiend heb, in dien bodemloozen put—het huishouden heb geworpen. En dat alles heb ik gedaan ter liefde van ma, wier nagedachtenis mij is als die eener heilige. In den naam van die heilige nu vraag ik je, kan jij hem zulke gronden voor ’t verpanden van ’t horloge voorleggen?”

„Neen,” antwoordde Rudolf met een gebroken hart.

„Ik zei ’t niet, om je eenig verwijt te doen,” vervolgde ze. „Ik zei ’t alleen, om je te overtuigen, hoe pa, ’t ware van de zaak wetende, diep ongelukkig zou zijn, en hoe ’t slechts [164]van mij afhangt, om, door de schuld op mij te nemen, hem zelf tot onwilligen medeplichtige van de daad te maken. Wanneer je daarentegen je zelf gaat aangeven, maak je hem diep ongelukkig. Dat kan die lieve moeder niet gewild hebben.”

Rudolf viel haar om den hals.

„Helène!” riep hij uit. „Voortaan beschouw ik je als mijn moeder. Leid mij ten goede, zooals zij zou gedaan hebben.”

„O, als ik maar sterker was!” zuchtte Helène. „Je zult er dus niets van aan pa zeggen?” voegde zij er kalmer bij.

„Ik beloof ’t je.”

„Ook aan niemand, dat ik voor de pers werk?”

„Waarom niet?”

„Omdat ik daar mijn bijzondere reden voor heb.”

Vrij wat bedaard, borg ze haar werk op.

„Kom, laat ons naar beneden gaan, voor het avondeten. Ik zal dat van pa door Trui boven laten brengen, ze heeft het van middag zijn diner ook moeten doen. ’t Is dan ook maar beter zoo. Ik kan zijn verachting beter verdragen, wanneer ik niet bij hem ben, dan wanneer hij mij met die doorborende blikken aanziet.”

Helène was hoogst verwonderd, toen pa den volgenden morgen aan ’t ontbijt verscheen en zijn gelaat minder stroef stond dan anders. Hij praatte vooral met Rudolf over onverschillige dingen en roerde geen enkele snaar aan, waardoor ’t gesprek op ’t horloge kon komen. De laatste dagen van ’t jaar werden betrekkelijk genoegelijk doorgebracht, terwijl de vacantiedagen der kinderen en ’t verblijf van Rudolf, aan Helène weinig gelegenheid schonken, iets aan haar letterkundigen arbeid te doen. Zoo kwam de eerste Januari aan, de dag waarop Rudolf naar Amsterdam zou gaan, om zijn kamer te betrekken; ten einde den volgenden morgen tijdig [165]op het kantoor te kunnen zijn. Er was bepaald, dat hij den eenen Zondag bij zijn oom, den anderen bij zijn vader te huis zou doorbrengen. Helène had hem bepaald aanbevolen, naar den woekeraar te gaan en dezen te zeggen, dat hij aan ’t eind van dezen of ’t begin van de volgende maand de schuld zou afdoen, en Mozes Zadok had hem met een grijnslach geantwoord, dat dit hem veel genoegen zou doen—zoodat van deze kant de zaak geheel en al in orde was.

Omtrent veertien dagen, nadat Rudolf aan de Bank werkzaam was, moest meneer Nederhorst voor zaken in Amsterdam zijn. Natuurlijk zou hij bij zijn zwager dineeren en ook eens zelf naar de Bank gaan, om te hooren hoe Rudolf het maakte. Hij had echter vooraf nog eenige boodschappen te doen en zijn weg voerde hem voorbij den winkel van Mozes Zadok. Juist toen hij zich vlak voor dien winkel bevond, noodzaakte een opstopping van rijtuigen hem op den stoep des woekeraars zijn toevlucht te zoeken en wierp hij toevallig een blik in de van allerlei zaken voorziene glazen kast; toen opeens zijn oog geboeid werd door eenige horloges, welke te koop hingen, en waaronder een met juweelen bezet dameshorloge met gouden ketting. Eerst ontgaf hij ’t zich; want hoe zou ’t horloge dat op zulk een onverklaarbare wijs was weggeraakt, zich in Amsterdam en dan nog wel in zulk een winkel bevinden? Hij bleef echter staan, bekeek het horloge oplettender, en hoe langer hij ’t bekeek, hoe meer hij tot de overtuiging kwam, dat het inderdaad het verloren schaap was.

Hij trad den winkel binnen en vond er den knaap, dien we reeds ontmoet hebben en die op zijn oude plaats achter de toonbank half zat te dutten. Het toornige gelaat en de vlammende blik van den bezoeker verschrikten dezen zoodanig dat hij slechts stamelend kon uitbrengen: [166]

„Wat is er van mijnheers dienst?”

„Laat mij dat dameshorloge met gouden ketting eens zien; dat daar in de kast hangt,” antwoordde meneer Nederhorst op bevelenden toon.

„Wacht even, meneer,” antwoordde de knaap, „dan zal ik den meester schellen. Die zal u terstond helpen.”

Hij drukte op den knop eener andere schel dan de vorige maal, en een oogenblik later kwam Mozes Zadok de trap af en stond hij diep buigende en listig knipoogende achter de toonbank.

„Wat is er van meneers dienst?” vroeg hij kruipend vriendelijk.

„Laat mij dat gouden met diamanten bezet dameshorloge eens zien, dat daar in de kast hangt.”

Aan het driftige van den toon bemerkte de slimme Zadok wel, dat er wat met dat horloge gebeurd moest zijn, dat niet in den haak was. Hij keek in de kast en zei daarop:

„Dat horloge hoort daar niet te hangen. ’t Is niet te koop. Mijn stomme knecht heeft weer een onhandigheid begaan.”

„Dus is ’t hier verpand?” zei meneer Nederhorst.

„We houden hier geen pandjeshuis, meneer,” antwoordde Mozes.

„Nu, dan hebt je er geld op geleend.”

„Meneer, verschoon me van alle bijzonderheden; ik heb u gezegd, dat het niet te koop was, en dat moet u, dunkt mij genoeg zijn.”

„Dat zou nog te bezien staan,” hernam meneer Nederhorst; terwijl hij Mozes scherp aankeek. „Stel eens, dat dit horloge mijn eigendom is, waarvoor ik het houd, ofschoon ik niet kan begrijpen, hoe ’t hier komt. Doch stel nu eens, dat het zoo is; dan ben ik bereid u de som terug te betalen, welke u er op voorgeschoten hebt.” [167]

De slimme woekeraar begreep, dat hij hier zijn slag kon slaan en bemerkte wel, dat die heer voor zijn toonbank veel waarde aan dat horloge hechtte. Aan den anderen kant begreep hij ook, dat hij voorzichtig met hem moest zijn: want dat er aan de geschiedenis van dat horloge meer vast was, dan hij wel in den beginne gemeend had; en dus haalde hij, schijnbaar tegen zijn wil, ’t horloge uit de kast en liet het meneer Nederhorst zien, zonder ’t uit de handen te geven.

„Doe de kast open,” gebood meneer Nederhorst. Mozes deed het, en nu zag de andere daar duidelijk de dooreen gevlochten letters M. L. N.

„Dit horloge is van mij en niemand heeft er het minste recht op,” zei hij, terwijl zijn lippen van inwendige gramschap beefden.

„’t Spijt mij meneer, dat ik met u in gevoelen verschillen moet,” antwoordde Zadok. „Ten aanzien van mij, hebt u er geen het minste recht op. ’t Werd mij toevertrouwd als zekerheid voor een aardige som gelds.”

„Hoeveel?” vroeg meneer Nederhorst.

„Zestig gulden,” antwoordde Zadok zonder een oogenblik te aarzelen. „’t Was in alle gevallen een goede borg. De diamanten alleen …”

„Genoeg,” zei meneer Nederhorst ongeduldig. „Ik heb er vrij wat meer voor gegeven; dat kan ik u verzekeren. Bewaar het en beloof mij, ’t aan niemand te laten zien. Binnen een uur of korter breng ik u de zestig gulden.”

„Domoor, die ik ben!” mompelde Mozes in zich zelf, „dat ik niet het dubbele der som gevraagd heb! Maar ’t is mijn oude gebrek. Ik ben te onbaatzuchtig! Misschien is ’t ook beter zoo: want de zaak met dat horloge is niet zuiver. Als ik honderd-twintig gulden gevraagd had, zou hij er misschien andere [168]handen in gehaald hebben, en op de politie ben ik nu juist niet gesteld.”

Meneer Nederhorst begaf zich terstond naar de Bank, waar hij zijn broer alleen in de directeurskamer vond.

„Beste Walburg,” zei hij. „Ik heb daar een raar geval. ’t Horloge van mijn vrouw, dat ze een paar dagen vóor haar sterven aan Helène heeft geschonken, bevindt zich in handen van een man, die mij verdacht voorkomt.”

En hij vertelde hem ’t een en ander, wat er met Helène was voorgevallen.

„Ik begrijp er niets van,” zei meneer Walburg. „Helène is ’t horloge kwijt; ze zegt, dat het in goede handen is, en jij vindt het bij een soort van uitdrager terug, als onderpand van een leening van zestig gulden. Heb je ’t bij je?”

„Neen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik had het geld niet bij mij, en kwam je vragen, ’t mij te leenen. Want ik wil dat horloge niet langer dan noodig is in de handen van dien kerel laten.”

„Wacht, dan laat ik een vigelante voorkomen en ga ik mee,” zei meneer Walburg. „De zaak is mij interessant genoeg, om er bij tegenwoordig te zijn.”

„Hoe ’t horloge hier en in handen van dien kerel komt begrijp ik niet,” zei meneer Nederhorst. „Helène heeft het in bezit gehad; en is sedert den tijd, dat ze ’t kreeg, niet in Amsterdam geweest. Daarenboven, waartoe zou zij zestig gulden noodig hebben gehad, gesteld, dat daar nu eens een gulden of tien interest bij is; want zulk volk kan interest berekenen, dat verzeker ik je. Aan haar toilet besteedt ze ’t niet. Daarbij leven we zoo doodeenvoudig, dat ze aan den kant der huishouding ook geen aanzienlijk te kort kan gehad hebben.” [169]

„Dan zou ze ’t je wel meegedeeld hebben,” hernam Walburg.

„Er is slechts éen persoon, dien ik van de zaak verdenk,” hervatte meneer Nederhorst. „Er woont te Weesp een zekere dokter Faminga, tenminste daarvoor geeft hij zich uit, een man, die zich nog tijdens ’t leven van mijn vrouw bij ons heeft willen indringen. Dien man vertrouw ik niet.”

„Maar dan deden we beter, even aan ’t commissariaat van politie aan te gaan,” zei meneer Walburg. „Als die zoogenaamde dokter er de hand in heeft gehad, dan worden ’t zaken voor de justitie.”

„Ik zal er wel oppassen, om ’t hardop te zeggen,” hernam meneer Nederhorst. „’t Zijn maar bloote vermoedens en ik zou er slecht bewijzen voor kunnen vinden.”

„Dan geloof ik, dat we ’t best doen, de zaak maar blauw blauw te laten,” antwoordde meneer Walburg. „Kom, de vigilante is voor, laat ons gaan.”

Nadat hij zijn schoonbroer de zestig gulden ter hand gesteld had, stapte meneer Walburg in ’t rijtuig en reden de beide heeren naar de woning van Mozes Zadok, waar ze uitstapten. Een gansche bende van straatjongens, leegloopers en nieuwsgierigen verzamelde zich op den stoep van den handelaar en vormden twee rijen, waardoor de bezoekers heen moesten om in hun rijtuig te komen, en allerlei gissingen werden onder ’t volk gemaakt; waarvan niet de minst ongerijmde was, dat het de heeren van politie waren en dat Mozes zeker ’t een of ander politiereglement overtreden had.

Intusschen waren de beide heeren ’t voorhuis in en voor de toonbank getreden. Mozes die ’t standje voor de deur gewaar werd, verzocht den heeren boven te willen komen.

„Ze zijn ’t niet gewoon, heeren! dat de oude Mozes zulke aanzienlijke klanten ontvangt,” zei hij; „daarom groepeeren [170]ze zich om mijn raam als een kudde jonge bokken. Maar we zullen hun niets te zien geven, zoo waar ik Mozes Zadok heet.”

Spoedig was nu ’t horloge betaald en geleverd.

„Uw naam, meneer?” vroeg de koopman.

„Mijn naam is niet noodig,” antwoordde meneer Nederhorst. Als ’t soms politiezaken mochten worden, zal ik maar zult u niet de aanklager zijn. In dat geval zult u kennis met mijn naam maken.”

„Ik kan toch niet helpen, dat degeen die geld bij mij geleend heeft, dat horloge gestolen heeft,” zei Mozes. „Daarenboven heb ik er scha genoeg bij; want het horloge staat hier al sedert drie maanden.”

„Was het dan een jongeheer, die ’t hier gebracht heeft?” vroeg meneer Walburg, die zich Rudolfs brief herinnerde.

„Mijn God! Meneer! Aan jongeheeren zouden we immers geen geld op dameshorloges leenen. Dan zouden we ’t gauw te kwaad met de justitie krijgen.”

„U zult toch niet weigeren den naam van den inbrenger voor ons op te zoeken. Natuurlijk staat die als debiteur in uw boek.”

„Om daardoor aan de politie ’t spoor in handen te geven,” zei Mozes. „Neen, meneer. U hebt uw horloge terug en ik heb u op uw woord geloofd, dat het het uwe was; ’t geen door uw overrompeling gekomen is, want wie bewijst mij nog, dat u de eigenaar van ’t horloge bent en u niet door een streek van mijn onnoozelheid gebruik gemaakt hebt om het ding goedkooper in handen te krijgen?”

„Kerel,” riep meneer Nederhorst driftig uit. „Als ik er mijn redenen niet voor had, om geen opspraak te maken, dan gaf ik de zaak regelrecht aan de politie aan.”

„Bedaard, meneer!” zei Mozes, die toch liefst de zaak maar [171]in de doos deed en zich met ’t aardige winstje vergenoegde, liever dan het deksel op zijn neus te krijgen door ’t onderste uit de kan te willen hebben. „Al zeg ik den naam van den inbrenger niet, dat mag ik u toch wel zeggen, dat het een vrij goed gekleed heer was van ongeveer dertig jaren. Naar ’t mij voorkwam was ’t horloge van zijn vrouw.”

De beide heeren vertrokken, tot leedwezen der toeschouwers doodbedaard alleen.

„Ik zal er Rudolf toch eens over spreken,” zei meneer Walburg, wien die brief nog steeds voor de oogen speelde. „Want van die dertig jaren en die vrouw geloof ik niets.”

„Waartoe zou dat dienen?” vroeg meneer Nederhorst hem. „Drie maanden geleden was hij nog goed en wel op de kostschool. Daarenboven is ’t horloge niet uit Helène’s handen geweest.”

„Nu, als je er op staat, wil ik er wel over zwijgen,” zei Walburg.

„Zelfs tegen je vrouw,” hernam Nederhorst. „Ik heb er mijn bijzondere redenen voor, om de zaak geheim te houden. Ik ben tevreden, dat het horloge terecht is, en zal je in orde ’t mij voorgeschoten geld rembourseeren.”

„Wat dit laatste aangaat, dat zal wel terecht komen,” en beide heeren stapten aan de Bank af, waar meneer Nederhorst een zeer voldoend getuigenis over Rudolf’s ijver en bekwaamheid kreeg.

Toen hij ’s avonds thuis kwam, sloot hij ’t horloge in zijn secretaire, zonder Helène er iets van te zeggen.

„Ze zal vreemd opzien, als hij, die ’t horloge voor haar verpand heeft, het niet weervindt,” zei hij bij zich zelf. „Misschien zullen we dan den draad in handen krijgen om hem te ontdekken, die ’t voor haar gedaan heeft. Een heer van ongeveer dertig jaren. Dat kan die dokter niet geweest zijn. Die is [172]wel tweemaal zoo oud. Maar hij kan ook iemand anders gebruikt hebben. Ik moet toch, als ik bij gelegenheid weer in Amsterdam kom, nog eens bij dien Zadok achter den naam van den verpander zien te komen.”

Intusschen leefden Helène en Rudolf in de heilige overtuiging, dat het erfstuk hunner moeder veilig was en weldra weer in hun bezit zou zijn. [173]