VIJFDE HOOFDSTUK.
De erfenis eener moeder.
’t Was den dag na dit gesprek met Rudolf dat Helène, nadat ze ’t een en ander had opgeredderd, als naar gewoonte bij haar moeder kwam, om haar aan te kleeden.
„Doe mij mijn morgenjapon maar aan,” zei deze. „Ik heb geen lust om mij aan te kleeden en beneden koffie te drinken. Ik hoop dat ik tegen het eten wat zal opknappen.”
„Bent u dan niet wel, ma?” vroeg Helène bezorgd.
„Ik voel mij slechts wat lusteloos, en heb behoefte aan rust,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik heb van nacht slecht geslapen en dat zal er de oorzaak van zijn.”
„Ik hoop, dat u de rust goed zal doen, ma!”
„Ik hoop ’t ook. Maak je nu maar niet ongerust en ga aan je werk.”
Toen Helène een uur later bovenkwam, vond ze haar mama in slaap. Ze sloop op haar teenen weg, om haar niet wakker te maken, en keerde niet terug vóor het koffieuurtje had geslagen, om haar een kop koffie en een broodje te brengen.
„Ik zal probeeren om het te eten,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar ik heb geen trek.”
„Doe het dan, om mij pleizier te doen,” zei Helène. „Wanneer u niet eet, wordt u nog zwakker.”
„Nu, ik zal ’t probeeren.” [64]
Helène verliet haar mama, om de koffie boven op pa’s kamer te brengen, zooals ze gewoon was; want meneer Nederhorst dronk geen koffie beneden. Ze vond hem altijd druk bezig in de boeken, en dan sprak hij geen enkel woord. Ze dronk dus vandaag alleen koffie met Rudolf. Na dat koffiedrinken ging ze weer naar boven, om ’t kopje en ’t bordje van haar moeder te halen.
„Zoodra ik den boel afgewasschen heb, kom ik wat bij u zitten, ma!”
„Dat is goed,” antwoordde deze, „want ik verlang eens met je te spreken.”
Helène haastte zich om klaar te komen, en spoedde zich toen naar boven.
„Ga nu eens kalm bij mij zitten,” zei mevrouw Nederhorst.
Helène deed het.
„Kindlief! Ik heb in den laatsten tijd veel, zeer veel hulp en troost aan je gehad,” begon mevrouw Nederhorst.
„O, lieve ma! Het maakt mij zoo gelukkig, dat uit uw mond te hooren. Ik wou zoo graag, dat ik nog maar meer kon doen.”
„Mij dunkt, dat je wel alles doet, wat je kunt,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ofschoon je er zeker meer pleizier in zoudt gehad hebben, om je met lezen of andere dingen te vermaken, heb je al je tijd besteed, om mij op te passen, allerlei huiselijke zaken te doen, je broertje en zusje bezig te houden, kortom—’t me zoo gemakkelijk te maken als maar mogelijk was, door me alles uit de handen te nemen. Dat was braaf van je, en je weet niet, hoe mij je liefde in ons ongeluk vertroost heeft.”
„Maar, lieve ma! Hoe had ik anders kunnen handelen?” vroeg Helène.
„In alle gevallen, je hebt het gedaan, en ’t heeft mij in mijn [65]verdriet getroost. En thans wil ik je zeggen, wat ik je al lang had willen mededeelen. Ik heb het al uitgesteld en uitgesteld en had het toch vroeger moeten doen. Je zoudt me zeker missen, als ik je eens voor een langen tijd verliet, niet waar?”
„U missen? Lieve ma! Hoe zou ik het zonder u kunnen stellen?”
„Indien je wist, dat het tot mijn best was, zou je toch de scheiding wel kunnen verduren, niet waar?”
„Als het hielp om u beter te maken, dan zou ik om uwentwil heel blij zijn, maar zonder u te leven, zou mij diep ongelukkig maken. Zouden we dan niet samen kunnen gaan?”
„Neen, lieve! Dat is onmogelijk,” hernam mevrouw Nederhorst. „Wie zou dan voor pa zorgen, als ik hier niet was? Tracht bij hem mijn plaats te vervullen, Helène, en bedenk hoeveel verdriet hij heeft gehad en nog heeft. Je moet alles doen wat je kunt, om hem ons huis aangenaam en vroolijk te maken. Dat wil je toch wel doen, niet waar?”
„Maar, ma! Ik zal uw plaats nimmer kunnen vervullen,” zei Helène. „Ik wou liever, dat u niet hoefde te gaan, of dat ik u kon vergezellen.”
„Dat kan niet, lieve. Wel hoop ik, dat ge allen eens bij mij zult komen. Begrijp je dan niet, dat ik van mijn heen gaan spreek voor altijd, naar den Hemel, waar Gods liefde mij roept?”
Helène barstte in tranen uit—ze kon geen enkel woord spreken. Eindelijk stamelde zij:
„Maar voelt u je dan zooveel erger, ma?”
„Ik word van dag tot dag minder, kind. Dagelijks voel ik mijn krachten afnemen. Dat verwondert me niet. Dokter Manders voorspelde ’t me al, toen we nog in Amsterdam waren, en schreef me voor, om een jaar lang naar ’t zuiden van Frankrijk te gaan; kort daarop kwam ’t ongeluk van je [66]pa, en ik sprak er niet over. Daarenboven wist ik toch dat het mij niet helpen zou, en schrikte ik terug voor het denkbeeld, om een geheel jaar van je allen gescheiden te zullen zijn.”
„O, ma! Ik zal ’t nooit zonder u kunnen doen,” zei Helène schreiend, terwijl ze haar armen om den hals harer moeder sloeg.
„Bedaard, kind!” zei haar moeder. „Houd je kalm om mijnentwil, en droog die tranen.”
„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet!” snikte Helène.
„Je kunt wel, als je God slechts om bijstand smeekt. Ik zal rustig heengaan, omdat ik weet, dat jij mijn plaats vervullen en een troost en hulp zijn zult voor hen, die ik achterlaat. Beloof je me dat?”
„Dat beloof ik u,” antwoordde Helène.
„Welnu, huil dan ook niet meer. Zoo spoedig denk ik je niet te verlaten. Zeg er echter niets van aan je vader; ’t zou hem nog maar ongelukkiger maken, dan hij al is. Maar neem nu voortaan, onder mijn toezicht, alle huiselijke bezigheden op je; dan ben je er aan gewoon, wanneer God mij van je roept. En ga nu heen—ik heb mij wat overspannen en ook jij hebt rust en eenzaamheid noodig.”
Een uur later kwam Helène bij haar moeder terug. Ze was nu vrij kalm, en in staat, om de beschikkingen aangaande het huishoudgeld en andere zaken te hooren, welke zij nu voortaan, altoos onder het toezicht harer moeder zou besturen. Dit gedeelte van de opdracht harer moeder vond ze heel pleizierig; want zoo kon ze haar vrij wat moeite en last van de schouders nemen. Wat haar echter treuriger stemde, toen haar moeder de rekening van ontvangsten en uitgaven voor legde, was, dat er niets overschoot, hoe zuinig ze ’t ook aanlegde, om haar, de zwakke vrouw, dat te verschaffen, wat ze tot [67]versterking noodig had. Ze maakte daar aanmerking op.
„Pa kan niet meer geven,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „’t Huishouden kost toch al geld genoeg.”
Helène zweeg, maar besloot, haar vader er bij de eerste de beste gelegenheid over te spreken. Die gelegenheid kwam dienzelfden middag, toen ze aan tafel zaten. Mevrouw Nederhorst had zich te zwak gevoeld, om beneden te komen. Toen nu haar vader binnenkwam en zich op zijn plaats aan tafel had neergezet, bemerkte hij eerst, dat zijn vrouw er niet was.
„Komt ma van daag niet meeëten?” vroeg hij aan Helène.
„Ma voelde zich te zwak, pa,” antwoordde zij.
„Te zwak, om aan tafel te komen? Dat moet dan wel een plotselinge verzwakking zijn.”
„Misschien hebt u het niet opgemerkt,” hernam Helène. „Mama is al sedert lang zwakker en zwakker geworden. Ze heeft volstrekt geen trek in eten, en ’t eenige wat haar nog smaakt, is een kippensoepje, of zoo iets. Maar dat alles kost zooveel geld, en ma ontbeert het liever, dan u om meer huishoudgeld te vragen. Er zijn zooveel dingen, die haar versterken zouden, doch die voor ons te duur zijn.”
„Ik kan ma op dit oogenblik niet meer geven,” zei meneer Nederhorst treurig. „Ik had haar juist willen vragen, of ze zich niet met minder kon behelpen.”
„O, pa!” zei Helène. „U weet niet, hoe naar zij is.”
„Ik moet met haar spreken,” zei meneer Nederhorst meer tot zich zelf dan tot Helène. „De uitgaven moeten hier of daar op verminderd worden. Wij kunnen ’t in alle gevallen met eenvoudiger middageten doen, zeg dat aan Trui.”
Zwijgend werd de maaltijd genoten; terwijl Rudolf zijn vader boos aankeek en slechts met moeite door Helène weerhouden [68]werd, om iets te zeggen. Nauwelijks echter was meneer Nederhorst de kamer uit, of de knaap riep uit:
„Hoe schandelijk! Ma niet eens te gunnen, wat zij noodig heeft!”
„Maar Rudolf, je hoort immers zelf, dat pa ’t niet missen kan!”
„’t Is verschrikkelijk! Als ik een vrouw had, die ziek was, zou ik liever honger lijden, dan dat het haar aan iets ontbrak!”
„Foei, Rudolf! Oordeel toch zoo niet over pa! ’t Doet hem leed genoeg, daar kun je op aan. Je behoeft zijn gezicht maar te zien. De goede man gaat er onder gebogen!”
Intusschen was meneer Nederhorst, toen hij van tafel opstond, regelrecht naar de kamer zijner vrouw gegaan. Hij vond haar in een lichte sluimering. Hij knielde naast de sofa neder en beschouwde met aandacht dat uitgeteerde gelaat.
Hoe was ’t mogelijk, dat hem dit niet eerder opgevallen was! Wat was ze vermagerd en hoe slecht zag ze er uit! Op dit oogenblik werd ze wakker en glimlachte vriendelijk, toen ze haar man bij zich zag.
„Hoe is ’t, Marie?” vroeg hij op vriendelijken, angstigen toon.
„Ik heb geen pijn; maar ik voel mij zoo zwak,” antwoordde ze.
„Helène zei, dat je veel erger was. Is dat waar?”
Ze zag hem vriendelijk aan, zonder een woord te spreken. Hoe kon zij, door hem de waarheid te zeggen, zijn verdriet nog vermeerderen?
Haar stilzwijgen verontrustte hem.
„Zeg mij, Marie,” zeide hij, „of je denkt, dat je toestand gevaarlijk is?”
Thans moest de waarheid er uit, hoe hard het haar ook mocht vallen, die te openbaren. [69]
„Ik heb ’t al maanden lang geweten, dat er voor mij geen hoop op herstel was,” antwoordde zij.
„Dwaasheid, Marie!” antwoordde hij. „’t Is alleen de werking van je zenuwgestel, de verbeelding, die je zwakte je geeft. ’t Is niets, dan de verandering in onze maatschappelijke positie, ’t verdriet over die verandering en de onaangenaamheden, die je te verduren hebt gehad. De ellendige armoede heeft gemaakt, dat je verwaarloosd bent en niet de noodige geneeskundige hulp gehad hebt. Morgen ga ik toch naar Amsterdam en zal dokter Manders bij je halen, en dan ben je spoedig weer dezelfde.”
„Neen, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Denk niet, dat ik verwaarloosd ben geworden. Helène heeft mij met alle liefde en zorgvuldigheid opgepast. Ook zijn het onze veranderde omstandigheden niet, die mijn toestand verergerd hebben. Reeds vóor de slag kwam wist ik, dat ik nooit beter zou worden. Ik ben niet zwakker geworden, omdat ik meer te doen had; Helène heeft mij dat alles uit de handen genomen. Ze heeft nu ’t huishouden ook voor haar rekening. Je weet niet, wat dat kind voor mij is.”
„Het doet mij genoegen, dat te hooren,” antwoordde meneer Nederhorst. „Toch kan ik ’t niet dulden, dat je je aan zulke inbeeldingen overgeeft. ’t Is volstrekt noodig, dat je de zaken uit een lichter oogpunt inziet; is het dan niet om jouwentwil, dan om mij.”
„Heusch, Leonard! Ik zou er jou en mij zelf maar door misleiden. Ik kan niet lang meer leven; en die gedachte maakt mij niet ongelukkig, dan alleen, omdat ik jou dan zou moeten verlaten.”
„Geen woord meer daarover, Marie. Dokter Manders komt morgen of overmorgen en dan zal je ’t wel anders inzien. Rust nu maar wat; ik heb nog wat te schrijven en moet je nu alleen laten.” [70]
Toen hij de kamer verlaten had, kwam hij Helène op ’t portaal tegen.
„Ik heb van ma gehoord, dat je tegenwoordig huishoudster bent. Zeg aan Trui, dat zij alles voor haar klaar maakt, waar ze maar trek in heeft en kom slechts bij mij om geld. Zuinig echter in ’t huishouden uit, wat je kunt. Je moeder moet aan niets gebrek hebben.”
„Dat zal ik doen, pa!” zei Helène.
„En tracht haar zooveel mogelijk op te vroolijken,” hernam hij. „Ze heeft opbeuring noodig. Laat haar daarom zoo weinig alleen, als volstrekt noodig is, hoor!”
Helène was recht in haar schik over deze woorden van haar vader. Zoo had ze hem in lang niet tegen haar hooren spreken; ze kwam dus met een opgeruimd gelaat de kamer van haar moeder binnen. Ze vond haar in tranen.
„O, ma! U moet niet zoo verdrietig zijn,” zeide zij. „Pa kan ’t vast wat beter doen, want hij heeft mij daar juist gezegd, dat ik, als ik extra geld voor u noodig had, maar bij hem moest komen, en hij was vriendelijk tegen mij. Vindt u dat niet heerlijk, ma!”
„Pa is zoo goed, Helène, al toont hij dat uiterlijk niet,” zei mevrouw Nederhorst, haar tranen drogende. „O, Helène, het bedroeft mij zoo dat pa maar niet gelooven wil in welk een gevaarlijken toestand ik mij bevind. Als ik eens stierf, zou hij ’t zooveel te zwaarder voelen!”
Op dit oogenblik werd de deur der kamer met groot geweld opengedaan en kwam Rudolf, doodsbleek en verschrikt aanloopen. ’t Bloed liep tappelings uit zijn hand, waarin hij zich een diepe snee tusschen duim en vinger had toegebracht.
„Wat heb je uitgevoerd, Rudolf?” vroeg de verschrikte moeder, die van de sofa opstond en geweldig aan de schel trok.
„Ik heb mij zoo vreeselijk gesneden!” zei Rudolf. [71]
„Trui! Loop eens terstond naar den eersten dokter den beste. Zie eens, hoe Rudolf zich gesneden heeft.”
Trui liep terstond heen, en kwam spoedig met een dokter terug. ’t Was niemand anders dan dokter Faminga, dien ze toevallig dicht bij ’t huis ontmoet en te hulp geroepen had. De goede man, wien ze in een paar woorden ’t voorgevallene had medegedeeld, had geen oogenblik geaarzeld, om aan ’t verzoek der oude dienstmaagd te voldoen en was haar ’t huis in en den trap op gevolgd.
Terstond liet hij zich ’t noodige linnen geven en verbond hij de hand van Rudolf; maar mevrouw Nederhorst zag niet zoodra dat haar zoon hulp had, of haar geestkracht ontzonk haar, en overspannen als ze geweest was, viel ze bezwijmd op de kanapé neer.
Nadat dokter Faminga de hand van den knaap verbonden had, begaf hij zich naar de bezwijmde moeder, en ’t gelukte hem, haar door de aanwending van eenig vlugzout, dat hij toevallig bij zich had, tot bewustzijn terug te brengen. In dien tusschentijd was meneer Nederhorst, door Trui gewaarschuwd, die hem eenige bijzonderheden aangaande ’t bevinden van den dokter had meegedeeld, op de kamer gekomen. Toen nu zijn vrouw weer bij bewustzijn was, wendde hij zich tot den dokter.
„Wat ben ik u schuldig, meneer?” vroeg hij.
„Ik neem geen geld voor visites, mijnheer,” antwoordde dokter Faminga. „Ik ben geen practiseerend geneesheer meer.”
„Dat is mij hetzelfde. Ik verlang u te betalen.”
„Ik kan geen geld aannemen, meneer! en ik zou ’t niet mogen doen ook; daar ik geen patent meer heb. Vergun mij morgen eens terug te komen en naar de beide patiënten te zien. Hier is mijn kaartje.”
Dit zeggende reikte hij meneer Nederhorst zijn kaartje over. [72]
„In ’t geheel niet,” antwoordde deze trotsch. „Ik verlang geen aalmoezen aan te nemen, en ’t allerminst van iemand, die vast schijnt voorgenomen te hebben zich in mijn huis te dringen.”
„Ik ben niet in uw huis gedrongen, meneer Nederhorst,” zei dokter Faminga op een toon die aantoonde, hoe zeer hij zich beleedigd achtte over den onbeleefden uitval van meneer Nederhorst. „De wond van uw zoon heeft verdere hulp noodig, indien u niet wilt, dat hand of duim stijf worden. Gevaarlijker echter is de toestand uwer vrouw. Ze heeft onmiddellijk geneeskundige hulp noodig.”
„Daar zal ik wel voor zorgen,” antwoordde meneer Nederhorst, die nu begon te denken dat het dokter Faminga was, die ’t hoofd van zijn vrouw met al die inbeeldingen van sterven had vervuld.
Den volgenden morgen vertrok meneer Nederhorst voor zijn zaken naar Amsterdam, en verzocht dokter Manders met hem mee te gaan, om zijn vrouw eens te komen zien.
„Wat is uw oordeel?” vroeg hij, toen dokter Manders haar gezien had en zij op meneers kamer waren.
„De zaak is uiterst kritiek,” antwoordde de dokter. „Ik mag u met geen valsche hoop vleien. Herstelling is onmogelijk, er kan zelfs onmiddellijk alle gevaar bij komen. Ik had het reeds te Amsterdam voorspeld. Een badkuur had haar misschien toen kunnen redden; doch ’t is nu onmogelijk.”
„Overdrijving, dokter, niets dan overdrijving!” riep meneer Nederhorst uit. „Mijn vrouw heeft zich hier door iemand, die zich den titel van dokter geeft, laten wijsmaken, dat ze een doodelijke kwaal heeft, waarvan geen herstel mogelijk is, en nu is haar zwakke zenuwgestel daardoor aangetast. Lastige en gevaarlijke menschen, die zich indringen in iemands huis en dan zulke adviezen geven.” [73]
„Welnu, meneer! Als u dan op mijn oordeel niet vertrouwt,” zei dokter Manders, „laat ons dan consult houden met een der hier wonende doctoren. Dan hebt u tevens een practiseerend geneesheer; want u weet, welk een drukke praktijk ik heb, en dat het mij bijna onmogelijk is, zelfs een enkele maal over te komen.”
Meneer Nederhorst voelde waarschijnlijk wel, dat dokter Manders hem niet op zulke ontzaglijke kosten wilde jagen als een dagelijksche overkomst uit Amsterdam natuurlijk na zich zou sleepen; tevens begreep hij, dat hij zijn toevlucht zou moeten nemen tot een der Weesper geneesheeren die dan met dokter Manders correspondentie kon houden. „Waarschijnlijk weet u wel, dokter, wie hier voor den knapsten dokter gehouden wordt,” zei meneer Nederhorst.
„Dokter Van Esch wordt zeer geroemd,” antwoordde dokter Manders.
Meneer Nederhorst zond Trui naar dokter Van Esch, met verzoek of hij terstond bij hem wilde komen. Weldra verscheen dokter Van Esch en werd door den Amsterdamschen geneesheer op de hoogte gebracht van den toestand der zieke. Daarna bezochten zij gezamelijk de zieke, en beloofde hij haar te zullen behandelen en zijn Amsterdamschen collega op de hoogte te houden, die dan van tijd tot tijd eens zou over komen. Eenige weken waren verloopen en ’t scheen, dat mevrouw Nederhorst, onder de dagelijksche geneeskundige behandeling en de zorgvuldige oppassing harer dochter begon op te knappen. Dokter Manders kwam geregeld elken Zondag om de veertien dagen over en toonde zich zeer tevreden over den voortgang der ziekte; doch, wanneer meneer Nederhorst hem bij ’t heengaan vroeg, hoe hij de patiënt vond, schudde hij steeds het hoofd.
„Altijd in een hoogstgevaarlijken toestand,” zeide hij. „Laat u door die schijnbare beterschap niet misleiden. Ik ken die [74]gestellen: eensklaps komt er, zonder dat men er de oorzaak van kan vermoeden, een verandering en ze ontvallen ons, eer we ’t vermoeden. Vlei u daarom nog niet; wat de zomer kan uitwerken, is een zaak, die ik niet kan bepalen.—Op dit oogenblik verkeert uw vrouw nog steeds in een toestand, waarop in ’t geheel niet te bouwen is.”
„Zwaarhoofd!” zei meneer Nederhorst dan als hij den dokter had uitgelaten. „’t Komt omdat hij haar niet alle dagen ziet. Dokter Van Esch, die toch ook een knap man is, geeft mij alle hoop, zoo niet op geheel herstel, dan toch op behoud.”
Wie kan ’t den armen man kwalijk nemen, dat hij, ziende hoe zijn vrouw opknapte, meer vertrouwen in den Weesper geneesheer stelde, die hem hoop op een voor hem reeds zichtbare beterschap gaf, dan in den Amsterdamschen, dien hij oordeelde, dat door een te donkere bril zag.
Mevrouw Nederhorst echter bleef haar positie slechts al te goed gevoelen; want ofschoon ze zich beter gevoelde en geen pijn meer leed, bleef haar toch, ondanks de schijnbare toeneming harer krachten en hoewel ze er beter uitzag, steeds dat gevoel van zwakte bij, dat haar voortdurend belette, iets te doen, ja, zich zelf te helpen. Ze zei er echter niemand iets van, zelf niet aan Helène, die even als haar vader, aan de stellige beterschap der zieke geloof sloeg.
„Zeg aan Trui, dat ze schoon linnengoed in mijn reistasch doet,” zei meneer Nederhorst op zekeren dag tegen Helène, toen hij van tafel opstond. „Ik ga morgen ochtend vroeg op reis.”
„Wel, pa, dat zal ik zelf wel doen,” antwoordde Helène. „U blijft toch niet lang weg, hoop ik.”
„Langer dan anders; stellig een dag of drie,” antwoordde meneer Nederhorst, op vriendelijken toon. „En op mijn [75]terugreis ga ik bij oom Walburg aan en denk Leonie mee te brengen. Ze is hier al een heelen tijd niet geweest, en daarenboven, je hebt het tegenwoordig zoo druk, dat ze wel eens een paar weken mag komen helpen.”
Na afscheid van zijn vrouw genomen te hebben, die hij met een gerust hart verliet, kuste hij Helène goeden dag.
„Zorg goed voor ma, Helène,” zeide hij. „Ze is je volkomen toevertrouwd.”
Met deze woorden verliet hij ’t huis.
Toen ze, na haar broertje en zusje te bed gebracht te hebben, bij haar moeder binnenkwam om haar volgens gewoonte den geheelen avond gezelschap te houden en haar wat voor te lezen, zei mevrouw Nederhorst:
„Laat het boek vooreerst maar toe; ik wenschte eens met je te spreken.”
Helène dacht, dat dit het een of ander over huiselijke zaken zou zijn, en zette zich neder, om oplettend te luisteren.
„Hoor eens, Helène, pa denkt, dat ik buiten gevaar ben, omdat ik geen pijn meer heb en er beter uitzie, en dokter Van Esch schijnt dit ook te gelooven; maar dokter Manders weet het wel beter. En als hij ’t niet beter wist, dan zou ik het wel beter gevoelen. Ik zal niet lang meer bij je zijn.”
„Maar, lieve ma! Hoe kunt u zoo iets denken. Zie u zelf maar in den spiegel, en dan zult u bemerken, dat u er veel beter uitziet dan u gedaan hebt. En wat hebt u rustige nachten; en in ’t geheel geen pijn meer …”
„Dat alles is volkomen waar,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik kan er God niet dankbaar genoeg voor zijn, dat Hij mij zulke kalme, pijnlooze dagen schenkt. Maar ik voel, dat ik er wel eens plotseling uit kon zijn. En daarom, lieve, wil ik er je op voorbereiden; opdat de slag je niet te onverwachts moge treffen.” [76]
„Nu, ik hoop dat dokter Van Esch de waarheid spreekt, en u weer geheel beter wordt,” zeide Helène.
„We willen ’t hopen, kind,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Doch hopen is nog geen gelooven. Geloof mij, vertrouw niet te veel op een beterschap, die bedriegelijk is. In alle gevallen wil ik gebruik maken van den tijd, dien ik nog bij je ben.”
Een oogenblik zwegen beiden, zooals ’t wel meer gaat, wanneer men elkander niet kan overtuigen. Daarop hervatte mevrouw Nederhorst:
„Geef mij mijn juweelkistje eens aan, lieve!”
Helène gaf het haar.
„Daar is weinig van overgebleven,” hernam haar mama, „’t meeste heb ik opgeofferd, om onze zaken te redderen. Doch dat weinige wil ik onder mijn kinderen verdeelen. Als ik kom te sterven, zal jij voor de uitvoering daarvan zorgen, niet waar?”
„Maar, lieve ma!” riep Helène uit, terwijl haar de tranen in de oogen sprongen. „’t Is, alsof u op het punt bent van te sterven.”
„We zijn alle dagen in doodsgevaar, kindlief,” antwoordde mevrouw Nederhorst ernstig. „En ’t is beter, dat ik het nu doe, dan dat ik het uitstel tot dat ik op mijn sterfbed lig. Krijg nu even wat papier, pen en inkt”.
Hierop pakte haar ma een paar juweelen oorbellen in, en wou er iets op schrijven; doch haar hand beefde te veel.
„Schrijf jij ’t Helène, maar verzegel ’t eerst met mijn cachet.”
Nadat dit gedaan was, zeide zij:
„Schrijf: Voor Leonie, ter gedachtenis aan haar liefhebbende moeder. Haar te overhandigen, wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft.”
Toen Helène dit gedaan had, werd het pakketje weer in [77]’t juweelkistje gelegd. Een ander pakje werd gemaakt van een juweelen ring en daarop de naam van Dora geschreven; toen een juweelen speld voor Rudolf, een gouden ketting voor Alfred, en een keurig bijbeltje, dat ze dagelijks gebruikt had, met een paar andere boeken voor haar man.
„En nu, Helène, is ’t jou beurt,” hervatte mevrouw Nederhorst. „Dit, met diamanten omzette horloge met gouden ketting is voor jou. Ik kreeg het eens, in onze gelukkige dagen, van je vader, toen je geboren werdt. Het komt je dus toe. Bewaar het trouw en zorg er voor als voor de dierbare erfenis van je overleden moeder. Maar ik weet, dat je dit doen zult.”
Met tranen in de oogen beloofde Helène dat zij er de grootst mogelijke zorg voor zou dragen en het boven alles zou waardeeren; maar dat zij hoopte, ’t nog in geen jaren in bezit te zullen krijgen.
„Ga nu aan ’t lezen, kindlief!” zei haar moeder; terwijl ze vermoeid van die inspanning in de kussens, die op haar sofa gelegd waren, terugzonk. Helène las een hoofdstuk uit het boek waaraan zij bezig was. ’t Was een godsdienstig werk; waarin veel over de vreugde in den Hemel kwam. Toen ze ’t hoofdstuk uit had, zei mevrouw Nederhorst:
„Roep Trui, dan kun je me samen naar bed brengen. Ik ben moe.”
Helène voldeed aan den wensch harer moeder, en riep Trui. Met haar beiden brachten ze de zieke te bed, die van avond zoo zwak was, dat ze haar bijna in ’t bed moesten dragen.
„U bent erger, ma! Laat Trui naar den dokter gaan!” zei Helène.
„Volstrekt niet. Ik ben wat erg zenuwachtig. Geef mij wat van mijn druppels.”
Helène gehoorzaamde en gaf haar mama in. [78]
„Dat doet me goed,” zei mevrouw Nederhorst. „Ziezoo, nu bedaart het al wat.”
„Maar wezenlijk, ma; laat Trui naar den dokter gaan,” smeekte Helène. „Is het dan niet om u, laat het dan voor mij zijn. Daarenboven, als u eens iets overkwam, zou ik ’t voor pa niet kunnen verantwoorden.”
„Nu, ’t is goed,” zei mevrouw Nederhorst, „Trui, loop even naar den dokter en vraag hem, of hij vóor den nacht nog eens aankomt.”
„Ik zal dadelijk gaan, mevrouw,” zei Trui. „En u doet goed, dat u hem laat komen. ’t Is altijd een gerustheid voor den nacht.”
Trui vertrok.
„Hoe voelt u je nu?” vroeg Helène.
„Veel beter dan straks. De druppeltjes hebben mij goed gedaan. Eigenlijk is de visite van de dokter overtollig.”
„’t Is voor onze gerustheid, ma!” antwoordde Helène. „U was daar straks zoo naar. Als de dokter er geweest is zal ik mijn bed hier op de kamer laten brengen; want ik laat u niet alleen.”
„Dat is goed”, antwoordde mevrouw Nederhorst. „Als ik dan wat noodig heb, kan ik je roepen.”
Spoedig kwam Trui met dokter Van Esch terug. Hij voelde den pols der zieke.
„U hebt u erg zenuwachtig gemaakt, mevrouw,” zei hij, „en moet alle overspanning vermijden. Hebt ge al van de druppels gebruikt, die ik u voorgeschreven heb?”
„Mijn dochter heeft ze mij daar straks ingegeven,” antwoordde zij.
„Welnu, vóor den nacht nog eenmaal; dan zult ge zeker een goeden slaap hebben en u morgen wel beter gevoelen. Ik kom mijn eerste visite bij u maken.” [79]
Helène liet den dokter uit.
„Vindt u ma werkelijk niet erger?” vroeg zij.
„Wees niet al te bezorgd, kindlief,” zei hij; „doch bespaar ma alle mogelijke aandoening. Is er ook reden voor, dat ze zich zoo zenuwachtig heeft gemaakt?”
„Ze sprak van avond over haar aanstaande heengaan en heeft eenige beschikkingen gemaakt bij geval zij kwam te overlijden,” zei Helène.
„Alles verkeerd,” zei de dokter. „Praat maar zoo weinig mogelijk met haar en zie haar iets voor te lezen, dat haar afleiding geeft. Ze moet om andere dingen denken, of slapen. ’t Is een ongelukkig verschijnsel van haar ziekte, dat de patiënt zich steeds opwindt.”
Toen Helène weer in de kamer van haar moeder terug kwam, was Trui reeds bezig, om het beddengoed in het vertrek te brengen. Helène hielp haar, en weldra was haar bed gespreid. Haar mama had echter een gerusten nacht en sliep veel. Slechts tweemalen had ze Helène gewekt.
Toen de dokter den volgenden dag kwam, vond hij zijn patiënt erg mat. Hij beval dus, dat ze maar even zou opzitten en verder den geheelen dag te bed zou blijven.
„Is ’t ook noodig, om pa te telegrapheeren?” vroeg Helène.
„Volstrekt niet,” zei de dokter. „Waartoe zou dat dienen? ’t Is een tijdelijke achteruitgang, die zich spoedig zal herstellen. Ik kom van avond tijdig terug; is het dan noodig, welnu, dan is het tijd genoeg.”
Mevrouw Nederhorst scheen dien dag vrij wat op te knappen. Ook de dokter vond haar dien avond wat beter. Doch dokter Manders had de zaak beter ingezien.
Toen Helène dien avond naar bed zou gaan, en ze haar moeder goeden nacht kuste, zei deze: [80]
„Morgen komt pa met Leonie, niet waar?”
„Hoe dat, ma? Voelt ge u dan weer minder?”
„Neen, dat niet; maar ik zal toch blij zijn, als pa weer thuis is. Nu, goeden nacht, Helène. Als ik wat noodig heb, zal ik je roepen.”
Helène legde zich niet zonder ongerustheid op haar kermisbed neder. Tweemalen stond ze nog op, en bevond, dat haar moeder gerust sliep. Door den slaap overmand was zij weldra in diepe rust verzonken. Reeds vroeg in den morgen werd ze wakker, sprong op en snelde naar ’t bed der zieke. Geen ademhaling liet zich hooren. Eerst meende Helène, dat haar moeder gerust sliep en wilde ze een kus op ’t bleeke voorhoofd drukken. Doch met een gil deinsde ze terug: dat ijskoude voorhoofd gaf haar te kennen, dat die lieve moeder dezen nacht tot de eeuwige rust was ingesluimerd.
„O, mijn God!” riep zij. „En ik heb geslapen! Misschien heeft ze mij nog geroepen. Misschien is ze benauwd geweest!”
Doch een blik op dat stil en rustig gelaat met dien vriendelijken glimlach om den mond, bewees maar al te zeer, dat de zieke van den slaap in den dood was overgegaan! [81]