WeRead Powered by ReaderPub
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling / Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal cover

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling / Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal

Chapter 27: Naschrift.
Open in WeRead

About This Book

The text presents a systematic plan for standardizing spelling to be adopted in a national dictionary, explaining principles that prioritize existing northern usage while allowing scientifically justified adjustments. It derives orthographic rules from the nature and purpose of writing, balances fidelity to pronunciation with signaling word derivation, and proposes specific corrections where current forms conflict with linguistic principles. The authors justify restraint against radical reforms to preserve unity, outline general rules and their hierarchy, and apply them to disputed cases to produce an internally consistent, practicable orthography for education and reference.

Toevoegsel, in te lasschen tusschen § 119 en 120.1

In de verkleinwoorden, afgeleid van samengetrokken vormen, in welke eene d is uitgestooten, is men tot dusverre gewoon geweest die d in de spelling te herstellen. Men schrijft laadje, slaadje, bedsteedje, sleedje, zoodje, zijdje, luidjes, van lade, salade, bedstede, slede, zode, zijde, luiden (lieden). Aan de wettigheid van die schrijfwijze werd nooit getwijfeld: zij scheen als vanzelf aangewezen. En toch berustte zij op een misverstand, dat men slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te zien. De regelmatige verkleining van de genoemde woorden zou ladetje, saladetje, bedstedetje, sledetje enz. zijn; doch die vormen heeft de taal niet gewild, zij waren te slepend voor woorden van meestal zeer alledaagsche beteekenis. Evenals de spreektaal in de grondwoorden bijna uitsluitend de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee, zoo, zij, lui (van mnl. luide, liede) bezigt, deed men hetzelfde bij de vorming der verkleinwoorden, die dus niet van de oorspronkelijke, maar van de samengetrokken vormen zijn afgeleid. In die samentrekkingen was de d van lade, slede enz. voorgoed verdwenen. Er kan geen de minste reden bestaan om die d terug te roepen, en laadje, sleedje enz. te schrijven. Die vormen zouden op grondwoorden als laad, sleed enz. wijzen, die niet bestaan. De tongletter, die in de genoemde verkleinwoorden gehoord wordt, is derhalve niet de d van de oorspronkelijke woorden, maar de t, die noodzakelijk ingelascht moest worden in deminutieven van woorden als la, slee, zoo, zij, alle op klinkers uitgaande. Evenals van pa, ma, zee, ei, lei, kneu, bij, bui enz. de verkleinwoorden paatje, maatje, zeetje, eitje, leitje, kneutje, bijtje, buitje enz. luiden, behooren ook de van la, slee enz. afgeleide met de t geschreven te worden. De Redactie aarzelt dan ook niet eene spelling te laten varen, die op geenerlei wijze te rechtvaardigen is, en schrijft daarom naar den eisch der taal: laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz.


1 Om geene verandering te brengen in de nommers der paragrafen, wordt dit toevoegsel afzonderlijk achteraan geplaatst.

Naschrift.

Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord, hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken, alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken, die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen, waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie, gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring, te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze—langdurig onderzocht, veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd—met bewustzijn uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet tegen ons volk getuigen.