Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen, wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen.

Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig, sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande: een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante, cinquante, soixante,—soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix, six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig (30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),—hund-seofontig (70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100), hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund of van een dergelijk afgevallen woord.

De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid, veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67.


109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand, vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel, misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel, oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam, hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed, in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen, ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen, ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen, ontvonken te schrijven.


110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel; leidsel voor leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien voor mag schiên; momboor voor mondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel, naar de uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk schreef en thans nog velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oude vere, ver (voor vrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar in juffrouw, mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet verstond en juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde (Taal- en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw. De f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed der keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel de c of k als de n wegvielen, waardoor nu de f verdubbeld moest worden. Zal men nu de tweede f weder terugbrengen tot de oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan hangt die eerste f geheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Die f is de verdubbeling der oorspronkelijke v, nadat zij tot f verscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had de v alle reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou aan eene samenstelling uit juf en vrouw doen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid werd. Maar schrijft men juffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbele f stelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijke v en der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in § 97 aan nochtans boven nogtans de voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstelling nog dan in het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo is juffrouw, in analogie met juffer, boven jufvrouw te verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van een meisje in tegenstelling van eene vrouw gebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip van vrouw, in het tweede dat van jong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheid hebben opgelost, die juist door de spelling juffrouw ook voor het oog wordt voorgesteld6.


111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis; in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch nevens versch; fijt, voorheen vijt.

Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.


112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling, bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.

De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk, lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks, degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk.

Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:

De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:

1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk, -loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk, schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling.

Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.

2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos, balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk, aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos, groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en willekeurig voorkomt.

Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk, zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin) en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.

3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk, openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos, regeeringloosheid enz.

4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk, genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.; daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de g hare zachte uitspraak behoudt.

Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.


113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling over -ing in Dr. De Jager’s Archief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10).

Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor »falsch” verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen (zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).


114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn, middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen, Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen.


115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.

Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.


116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen, bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk, erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend, oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen; zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker, die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt, leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben.

De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden.

Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik met t geschreven.


117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati, ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi, ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick, oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd, geheel anders dan het vorige ood luidde.

Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spelling ootmoed met eene t de voorkeur.


118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna, omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om), als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel; uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven, evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d zou moeten terugnemen.


119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter -je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.

Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia op en, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren, zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62.

Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken, dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz.

De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel -je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is, niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje, muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz.

Bilderdijk’s spelling handtjen rustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva [eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken.” Spraakl., blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen, draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen, draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.

Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje, tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is.

In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom, en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit, antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje, hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.

De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.

De p klinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan de t, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwante m. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, die Bilderdijk daarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroeger bloemptje, boomptje enz. geschreven had, dat de p eene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding der m en t ontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping der t wilde behouden”; hij stelde bloempje gelijk met het platte kompt en neempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spelling boomptje, bloemptje aan te wijzen, en Bilderdijk’s beweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid der t in het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt -je of -jen, niet -tje of -tjen. De t en p worden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakke j, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuis k had kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaam Froukje, hetzelfde woord als Vrouwtje, en uit de werkwoorden boerkje, het boerenbedrijf uitoefenen; briefkje, brieven schrijven, enz. De t heeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als de p achter de m en de k in de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk de n in honing, diens, wiens enz. De lipletter p staat derhalve in bloempje niet ten koste van de t, maar is, gelijk ook juist kompt, neempt en dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletter m, evenals de tongletter t7 van de tongletters l, n en r in stoeltje, zoontje, deurtje, en als de keelletter k van de keelletter g, die in de verbinding ng nog flauw met den klank der Fransche en Friesche g gehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt men koninkje, woninkje, rottinkje enz., terwijl wel nooit iemand koninktje zal uitgesproken of geschreven hebben. De p is achter de m evenmin overtollig als de t achter een klinker of vloeiende letter, omdat de j dan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen om raamje, boomje enz. te zeggen, evenmin als zeeje, koeje, stoelje, maanje, deurje.

Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje, boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.

120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve, mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles te ôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.

Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij, mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde, ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo (in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.

De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve: dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden en derhalve, weshalve te blijven schrijven.

De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dat halve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve, mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve, zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67.


121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot.


122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans, en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens, wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden.

Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier § 66, a.


123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el, het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.

Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met -sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz.

Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse, trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan, in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche, gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns, vunze; lens, lenze.

De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch (cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was (toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij schrijven derhalve los en was.


124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste, frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste, frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twee s’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twee s’s willen brengen: het wijsst, het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche, Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De spelling wijstwijste, boosbooste, looslooste enz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur.


125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins, eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander, eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds, blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins, dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins, andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins, veelszins, evenals geenszins.


126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen), de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz., maar ook verven, verver, ververij enz.

Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f) te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand als vermurven wordt uitgesproken.


127. Het tweede lid der samenstellingen buskruid en rattenkruid (gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden van kruid (herba). Het doet ons veeleer denken aan stof, poeder, dan aan een product van het kruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan een kruid of gewas denken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis de t te moeten bezigen, en schrijven dus kruit (pulvis pyrius), buskruit en rattenkruit, ter onderscheiding van kruid (herba), onkruid, nieskruid, wormkruid enz. Evenzoo schrijft men algemeen schroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks de d zou vereischen; want schroot (bij Kiliaan schroode en schroye) is eene afleiding van het oude werkwoord schroden (snijden), en beteekent eigenlijk snijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woorden schroodbeitel en schroodijzer, waarin de beteekenis van schroden nog gevoeld wordt, is de d behouden gebleven; maar schroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed de t aangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ook kruit van kruid gescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.


128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach, ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest (hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag.

Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.


129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel (lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent.

Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.


130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.


131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling, van spanen (spenen), met twee l’s worden geschreven.


132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam, adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.