WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 13: XIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XIII.

Ik vroeg niets, ik stond alleen aan den woudrand achter den boom.

Vaak lag nog op de oogen van den dageraad, en de daauw was in de lucht.

De loome geur van het vochtige gras hong in de dunne neevel booven de aarde.

Onder den banjan-boom melkte je de koe met je handen, die week en frisch zijn als booter.

En ik stond stil.

Ik zeide geen woord. De voogel zong ongezien in het struweel.

De mango-boom strooide zijn bloemen op den dorpsweg, en zoemend kwamen de bijen, één voor één.

Naast den vijver was de poort van Shiwa’s tempel geöopend en de geloovige had zijn zangen begonnen.

Met de emmer op je schoot melkte je de koe.

Ik stond met mijn leedige kruik.

Ik kwam niet digt bij je.

Bij de klank van de gong aan den tempel ontwaakte de heemel.

Het stof wolkte op door de hoeven van het voortgedreeven vee op den weg.

Vrouwen kwamen van de rivier, met de klotsende kruiken op hun heup.

Je armbanden rinkelden en het schuim stond aan den rand van de emmer.

De morgen verging en ik kwam niet digt bij je.