WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 19: XIX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XIX.

Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.

Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?

Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.

Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van ’t eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.

Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.

Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?