WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 25: XXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXV.

„Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar waarheid waarom er razernij is in uw oogen?”

„Ik weet niet welken wijn van wilde papaver ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen.”

„O, foei!”

„Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er zijn oogen die glimlachen en oogen die weenen—en in mijn oogen is razernij.”

„Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den schaduw van den boom?”

„Mijn voeten zijn loom door de last mijns harten, en ik sta in den schaduw.”

„O foei!”

„Wel, er zijn er die voortstappen op hun weg en er zijn er die treuzelen, sommigen zijn vrij, anderen geboeid—en mijn voeten zijn loom door de last mijns harten.”