WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 26: XXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXVI.

„Al wat van uw milde handen komt, neem ik aan. Ik vraag om niets méér.”

„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”

„Als er een verlooren bloemke voor mij is, dan zal ik het in mijn hart dragen.”

„En als het doornen heeft!”

„Ik zal ze dulden.”

„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”

„Als je maar ééns je minnende oogen wou opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn leeven zalig maken tot génerzijds des doods.”

„En als er enkel wreede blikken zijn?”

„Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren.”

„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”