WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 28: XXVIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXVIII.

Uw vragende oogen zijn droef. Zij zoeken mijn gedachte te kennen, zooals de maan de zee zou peilen.

Ik heb mijn leeven blootgelegd voor uw oogen van eind tot eind, en niets verborgen of teruggehouden. Daarom kent gij mij niet?

Was het maar een juweel, dan kon ik het in honderd stukken breeken en aan een snoer rijgen voor uw hals.

Was het maar een bloemeke, klein en rond en lief, dan kon ik het van zijn stengel plukken voor uw haar.

Maar het is een hart, mijn geliefde. Waar zijn zijn kusten, waar is zijn boodem?

De grenzen van dit rijk kent gij niet, en toch zijt ge er kooningin.

Was het maar een kort vermaak, dan kon het ontbloeyen in een ligte glimlach, en ge zoudt het in een oogwenk kunnen zien en verstaan.

Was het maar enkel een verdriet, dan kon het smelten in klare tranen, en zijn innigst geheim doen weerglanzen zonder een woord.

Maar het is Liefde, mijn Liefste.

Haar vermaak en verdriet zijn grenzeloos, en eindeloos haar nooden en weelden.

Zij is u zoo na als uw leeven, en toch kunt ge haar nooit geheel kennen.