WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 30: XXX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXX.

Gij zijt de avondwolk, die aan den heemel mijner droomen drijft.

Ik kleur u en bootseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eindelooze droomen.

Uw voeten zijn roozerood door den gloed van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang.

Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarten-wijn.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijne eenzame droomen.

Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte van mijn blik!

Ik heb u gevangen, mijn liefste, en u gewikkeld in het net mijner muziek.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn onsterfelijke droomen.