WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 31: XXXI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXI.

De voogd van de wildernis, mijn hart, heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.

Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn het kooninkrijk van de sterren.

Mijn liederen zijn verlooren in hun diepten.

Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn eenzame ontzaglijkheid.

Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels spreiden in zijn zonneschijn.