WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 32: XXXII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXII.

Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn Liefste, zeg mij of het wáár is.

Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan geeven de wolken in uw borst het stormend antwoord.

Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn, als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige liefde?

Dralen de herinneringen van vervloogen meimaanden in mijn leeden?

Huivert de aarde van zangen, als een harp, bij de aanraking van mijn voeten?

Is het wáár, dat de oogen van den nacht daauwdroppen storten als ik gezien word, en dat het morgenlicht blijde is als het mijn lichaam omvademt?

Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam reisde door eeuwen en waerelden, om mij te zoeken?

En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw eeuwen-oude begeerten volkoomen vreede vonden in mijn vriendelijke stem en mijn oogen en lippen en golvend haar?

Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje geschreeven is?

Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles wáár is.