WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 33: XXXIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXIII.

Ik heb u lief, Geliefde. Vergeef mij mijn liefde.

Als een doolende voogel ben ik gevangen.

Toen mijn hart geschokt werd, verloor het zijn sluyer en was naakt. Bedek het met erbarmen, Geliefde, en vergeef mij mijn liefde.

Als gij mij niet minnen kunt, Geliefde, vergeef mij mijn leed.

Zie mij niet zijlings aan van uit de verte.

Ik zal terugsluipen naar mijn hoekje en in ’t donker zitten.

Met twee handen zal ik mijn naakte schaamte bedekken.

Wend uw gelaat van mij weg, Geliefde, en vergeef mij mijn leed.

Als gij mij liefhebt, Geliefde, vergeef mij mijn vreugde.

Als mijn hart wordt weggesleurd op den vloed van geluk, glimlach dan niet om mijn hachelijke veroovering.

Als ik op mijn troon zit en u beheersch met mijn liefde-tirannie, als ik u mijn gunsten gedoog als een godin, heb dan geduld met mijn trots, Geliefde, en vergeef mij mijn vreugde.