WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 36: XXXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXVI.

Hij fluisterde: „Liefste, hef je oogen op.”

Ik vermaande hem scherpelijk en zei: „Ga heen!” maar hij verroerde niet.

Hij stond voor me en hield mijn beide handen. Ik zei „Verlaat me!” maar hij ging niet.

Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik oogde naar hem en zei „Schaam je!” maar hij bewoog niet.

Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik beefde en zei „Je durft te veel!” maar hij had geen schaamte.

Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei „Het geeft niet!” maar hij stond onverschrokken.

Hij nam de krans van mijn hals en ging heen. Ik ween en vraag mijn hart: „Waarom komt hij niet terug?”