WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 37: XXXVII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXVII.

Woudt gij uw krans van frissche bloemen om mijn hals doen, mijn schoone?

Maar gij moet weeten, dat de eenige krans die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor hen, die maar in oogenblikken gezien worden, die in ondoorzochte landen woonen, die in dichterzangen leeven.

Het is te laat om mijn hart te vragen, in ruil voor het uwe.

Er was een tijd dat mijn leeven was als een knop, al zijn geur was verborgen in zijn kern.

Nu is het ver en wijd verstrooid.

Wie kent den toover om het weer te vergaderen en op te sluiten?

Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een enkele kan geeven, het behoort den veelen.