WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 38: XXXVIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXVIII.

Mijn Lief, op zeekeren tijd liet uw dichter een groot epos in zijn geest van stapel.

Helaas, ik was niet omzichtig genoeg, het raakte uw rinkelende enkel-ringen en ging stuk.

Het brak in kleine liedjes en lag vergruisd aan uw voeten.

Mijn heele lading van vertelsels van oude oorloogen werd geslingerd door de lachende golven, gedrenkt in tranen en zonk.

Dit verlies moet gij mij goed-maken, mijn Lief.

Als mijn aanspraken op onsterfelijke roem na mijn dood zijn vernietigd, maak mij dan onsterfelijk in mijn leeven.

En ik zal mijn verlies niet betreuren en u geen verwijt doen.