WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 39: XXXIX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XXXIX.

Den ganschen morgen beproef ik een krans te vlechten, maar de bloemen glissen en vallen uit.

Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit de hoeken van je spiedende oogen.

Vraag die oogen, die donker op ondeugd zinnen, wiens schuld het was.

Ik tracht een lied te zingen, maar te vergeefs.

Een verborgen glimlach trilt op je lippen; vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.

Laat je glimlachende lippen onder eede zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren ging als een dronken bij in de lotos.

Het is avond, het is tijd voor de bloemen hun kelken te sluiten.

Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en vraag mijn lippen het werk te doen, dat in stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig licht van de sterren.