WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 4: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

IV.

Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan den weg die naar de marktplaats voert?

Zij meeren hun volle booten digt bij mijn boomen.

Zij koomen en gaan en dwalen naar ’t hun lust.

Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.

Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan mijn dagen om.

Nacht en dag klinken hun schreeden bij mijn deur.

Te vergeefs roep ik: „Ik ken u niet.”

Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen kennen sommigen.

Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en zeg: „Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt vrij!”

Des morgens luidt de klok in den tempel.

Zij koomen met hun manden in de hand.

Hun voeten zijn roozerood. Het vroege licht van de dageraad is op hun gelaat.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Komt in mijn tuin om bloemen te plukken. Komt gerust.”

In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.

Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten en treuzelen bij mijn heg.

De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt; de toonen kwijnen in hun fluiten.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Onder mijn boomen is de schaduw koel. Komt vrienden!”

Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.

Wie komt er langsaam tot mijn deur en klopt zachtkens?

Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt gesprooken, ooveral-om is de stilte van den heemel.

Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik zie naar het gelaat in ’t duister en uuren van droomen gaan voorbij.