WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 44: XLIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XLIV.

Eerwaarde Heer, vergeef dit paar zondaren. Lente-winden waayen vandaag in wilde vlagen, ze drijven stof en doode bladen voort, en al uw lessen gaan daarbij verlooren.

Zeg niet, vader, dat leeven ijdelheid is.

Want we hebben voor éénmaal een verdrag met den dood geslooten, en alleen voor een paar zoetgeurige uuren zijn wij onsterfelijk gemaakt.

Zelfs als het leeger des koonings kwam, en ons fel ooverviel, zouden wij droevig het hoofd schudden en zeggen: Broeders gij stoort ons. Als ge dit lawaayig spel wilt speelen, gaat dan elders met uw wapengekletter. Daar wij toch maar voor een paar vluchtige uuren onsterfelijk zijn gemaakt.

Als vriendelijke menschen kwamen en om ons samendrongen, zouden we met bescheiden buiging tot hen zeggen: Dit bizondere voorrecht maakt ons verleegen. Er is weinig ruimte in de oneindige heemel waar wij woonen. Want in de lente koomen er drommen bloemen, en de drukke bijen-wiekjes verdringen elkaar. Ons heemeltje, waar enkel wij twee onsterfelijken woonen, is zoo belachelijk naauw.