WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 46: XLVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

XLVI.

Gij verliet mij en ging uws weegs.

Ik dacht, dat ik om u treuren zou, en uw eenzaam beeld in mijn hart zetten, gevat in een gouden lied.

Maar ach, mijn slecht gesternte, de tijd is kort.

De jeugd gaat voorbij jaar op jaar; de lentedagen zijn vluchtig; de brooze bloemen sterven voor niets, en de wijze man waarschuwt mij, dat leeven niet is dan een daauwdrop op een lotosblad.

Zou ik dit alles verwaarloozen, om eene na te staren, die mij de rug gekeerd heeft?

Dat zou lomp zijn en dwaas, want de tijd is kort.

Kom dan! mijn reegen-nachten met kletterende voetjes; glimlach dan, gouden herfst! zorgelooze April! die onderweg uw kussen rondstrooit.

Kom gij, en gij, en gij ook!

Geliefden, gij weet dat wij sterfelijk zijn. Is het verstandig ons hart te breeken voor die eene, die ons haar hart onttrok? Want de tijd is kort.

Het is zoet in een hoekje te zitten, en te peinzen en in rijmen te schrijven, dat gij mijn gansche waereld zijt.

Het is heldhaftig zijn smart te koesteren, en vastbeslooten ontroostbaar te zijn.

Maar een nieuw gelaat kijkt door mijn deur en heft de oogen tot de mijnen.

Ik moet wel mijn tranen weg wisschen en een ander wijsje zingen.

Want de tijd is kort.