WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 53: LIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LIII.

Waarom hoondet gij mij met een blik?

Ik kwam niet als een beedelaar.

Een uurtje maar stond ik aan het einde van uwen hof, buiten de heg.

Waarom hoondet gij mij met een blik?

Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen vrucht heb ik geplukt.

Ik schuilde neederig in de schaduw aan den weg, waar elke vreemde reiziger mag staan.

Geen roos heb ik geplukt.

Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui kwam neer.

De wind gierde tusschen de zwaayende bamboe-twijgen.

De wolken snelden langs den heemel als verslagen vluchtelingen.

Mijn voeten waren moede.

Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch op wien gij wachtet aan uw deur.

Bliksemflitsen verblindden uw waakzame oogen.

Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar ik stond in ’t donker?

Ik weet niet wat gij van mij dacht.

De dag is ten einde, de reegen heeft éven opgehouden.

Ik verlaat de schaduw van den boom aan het eind van uwen hof, en de zitplaats op het gras.

Het is donker geworden, sluit uw deur, ik ga mijns weegs.

De dag is ten einde.