WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 56: LVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LVI.

Ik was ééne van veele vrouwen, beezig met de obscure dagelijksche huishoudplichten.

Waarom hebt gij mij uitverkooren en weggebracht uit de koele beschutting van ons dagelijksch leeven?

Ongebiechte liefde is heilig. Zij schijnt als juweelen in het duister van het verborgen hart. In het licht van den nieuwsgierigen dag ziet ze erbarmelijk dof.

O, gij, die in de schuilplaats van mijn hart doordrongt en mijn sidderende liefde in ’t oopenbaar sleurdet, voor altijd het schaduwhoekje vernielend waar haar nest verborgen was!

De andere vrouwen zijn dezelfde gebleeven.

Geen enkele keek in haar eigen binnenste, en zij weeten haar eigen geheim niet.

Ze glimlachen luchtigjes, en weenen, babbelen en werken. Dagelijks gaan ze naar den tempel, steeken hun lamp aan en halen water uit de rivier.

Ik hoopte dat de rillende schaamte der dakloozen aan mijne liefde bespaard zou blijven, maar gij wendt uw gelaat af.

Ja, uw weg ligt voor u oopen, maar gij hebt mijn terugkeer afgesneeden, en mij naakt voor de lidlooze, dag en nacht starende oogen der waereld gelaten.