WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 62: LXII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXII.

Ik ging op het donkere droomenpad om de Geliefde te zoeken, die de mijne was in een vroeger leeven.

Haar huis stond aan het eind van een verlaten straat.

Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte dommelend op zijn kruk, en de duiven waren stil in hun hoekje.

Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en stond vóór mij.

Zij hief haar groote oogen op naar mijn gelaat en vroeg sprakeloos: „Gaat het u goed, mijn vriend?”

Ik poogde te antwoorden, maar onze taal was verlooren en vergeeten.

Ik peinsde en peinsde; maar onze namen kon ik niet herinneren.

Tranen blonken in haar oogen. Ze hield haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en stond zwijgend.

Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte—en doofde.