WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 63: LXIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXIII.

Reiziger, moet gij vertrekken?

De nacht is stil en de duisternis zijgt op het woud.

Op ons balkon zijn de lampen helder, de bloemen allen frisch en de jeugdige oogen nog wakker.

Is de tijd voor het afscheid gekoomen?

Reiziger, moet gij vertrekken?

We hebben uw voeten niet met onze smeekende armen gebonden.

De deuren zijn voor u oopen. Uw paard staat gezadeld aan de poort.

Alleen met onze gezangen hebben wij getracht uw heengaan te verhinderen.

Als wij getracht hebben u terug te houden, was het alleen met onze oogen.

Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden. Wij hebben niet dan onze tranen.

Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?

Welke rustelooze koorts woelt in uw bloed?

Welke roep uit het duister dwingt u?

Welke vreesselijke bezweering hebt gij in de sterren geleezen, dat de nacht uw hart binnendrong met geheime verzeegelde boodschap, zwijgend en vreemd.

Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt, als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen we onze lampen dooven en onze harpen doen verstommen.

We zullen stil in ’t donker zitten bij het geruisch der bladeren, en de vermoeide maan zal bleeke stralen op uw venster werpen.

O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het hart van den middernacht heeft u aangeraakt?