WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 64: LXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXIV.

Ik verbracht mijn dag op het blakend heete stof van den weg.

Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur van de herberg. Ze is verlaten en in puin gevallen.

Een grimmige asjat boom spreidt zijn hongerig grijpende wortels door de gapende muurspleeten.

Er waren dagen dat voetgangers hier hun moede voeten kwamen wasschen.

Zij spreidden hun matten in den voorhof, bij het matte licht van de vroege maan, en zaten en praatten oover vreemde landen.

Zij ontwaakten verkwikt in den morgen, als voogels hen verblijdden en vriendelijke bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten aan den kant van den weg.

Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen brandende lamp.

Zwarte roetvlekken, achtergelaten door veele vergeeten avondlampen, staren van den muur, als blinde oogen.

Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen werpen hun schaduw op het begraasde pad.

Ik ben niemands gast aan het einde van mijn dag.

Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.