WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 65: LXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXV.

Is dat uw roep weederom?

De avond is gekoomen. Vermoeidheid omvangt me als de armen van smeekende liefde.

Roept gij mij?

Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht rooven?

Ergends is een einde aan alles, en de eenzaamheid van het duister is ons eigendom.

Moet uw stem daar doorhéén booren en mij slaan?

Heeft de avond aan uwe poort geen sluimermuziek?

Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer den heemel booven uw genadelooze tooren.

Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op het stof, in zacht sterven.

Moet gij mij roepen, Rustelooze?

Dan moogen de droeve oogen der liefde te vergeefs wachten en weenen.

De lamp mooge branden in het eenzame huis.

De veerboot brenge de moede arbeiders huiswaarts.

Ik laat mijn droomen achter en kom haastig op uw roep.