WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 7: VII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

VII.

O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen—hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?

Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten; zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende zang van de fluit zal klagend tot mij koomen van verre.

Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op mijn best kleeden.

O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde van zijn wagen.

Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg, ik reet het robijn-snoer van mijn hals en wierp het op zijn pad.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam; ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn wielen en een roode vlek liet op het stof, en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wien.

Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn borst op zijn weg.