WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 70: LXX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXX.

Ik herinner mij een dag uit mijn kindertijd, waarop ik een papieren schuitje liet varen in een greppel.

Het was een reegen-dag in Juli; ik was alleen en gelukkig in mijn spelletje.

Ik liet mijn papieren schuitje varen in de greppel.

Plotseling werden de onweerswolken dikker, de wind kwam in vlagen, en de reegen viel bij stroomen.

Beekjes modderig water bruisten aan, deeden de stroom zwellen en mijn schuitje zinken.

Ik dacht met bitterheid, dat de storm opzettelijk was gekoomen om mijn plezier te bederven; al zijn boosaardigheid gold mij.

De wolkdonkere Juli-dag is heeden lang, en ik heb gepeinsd oover al die spelletjes in ’t leeven, waarin ik verloor.

Ik verweet mijn lot de veele streeken die het mij speelde,—toen dacht ik opeens aan mijn papieren schuitje, dat zonk in de greppel.