WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 74: LXXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXIV.

In de gehoorzaal der waereld zit de simpele grashalm op hetzelfde tapijt met de zonnestraal en de middernacht-sterren.

Zoo deelen mijn zangen hun zeetels, in het hart der waereld, met de muziek van wolken en wouden.

Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen deel in de soobere grootheid van het blijde zonnegoud, of van het weeke blinken der peinzende maan.

De zeegen van den al-omvangenden heemel wordt er niet oover uitgestort.

En als de dood komt, verbleekt ze, en verschrompelt en verkruimelt tot stof.