WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 75: LXXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXV.

Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:

„Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier zoo lang in verblinding gehouden?”

God fluisterde: „Ik”, maar de ooren van den man waren verstopt.

Met haar zuigeling slapend aan haar boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap aan een kant van het bed.

De man zeide: „Wie zijt gij, die mij zoolang bedot hebt?”

De stem zeide weer: „Zij zijn God”, maar hij hoorde niet.

De zuigeling riep in zijn droom en nestelde zich digt aan de moeder.

God gebood: „Houd in, dwaas, verlaat uw thuis niet” maar nog hoorde hij niet.

God zuchtte en klaagde: „Waarom gaat mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken, terwijl hij mij verzaakt?”