WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 76: LXXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXVI.

Vóór den tempel was het marktfeest in vollen gang. Het had gereegend van den vroegen morgen, en de dag neigde ten einde.

Blijder dan al de pret der meenigte was de blijde glimlach van een meisje, dat voor een penning een fluitje van palmblad had gekocht.

De schrille vreugd van dat fluitje steeg uit booven al het gelach en rumoer.

Een eindelooze meenigte volks kwam en verdrong elkaar. De weg was modderig, de rivier gezwollen, het veld stond onder water door gestadigen reegen.

Bitterder dan alle nooden der meenigte was de nood van een kleinen jongen—hij had geen penning om een gekleurde stok te koopen.

De heele menschen-bijeenkomst werd erbarmelijk door zijn weemoedig verlangende oogen, die naar den winkel staarden.