WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 78: LXXVIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXVIII.

Het was in Mei. De drukkende middag scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte van dorst in de hitte.

Toen hoorde ik van den stroom-oever een stem, roepend: „Kom dan, lievert!”

Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster om naar buiten te zien.

Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte huid bij de rivier staan, met goedige, geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie in ’t water wadend, riep hem naar zijn bad.

Ik had plezier en glimlachte en voelde iets liefelijks in mijn hart.