WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 79: LXXIX.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXIX.

Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de grenzen van herkenning verborgen liggen tusschen den mensch en het beest, wiens hart geen gesprooken taal kent.

Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen liep het eenvoudige pad, waarop hun harten elkaar bezochten?

Deeze spooren van hun gestadigen tred zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap lang vergeeten.

En plotseling in een of andere woordelooze muziek ontwaakt de scheemerige herinnering—en het dier staart den mensch in ’t gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch ziet het dier in de oogen met glimlachende geneegenheid.

Het is dan als ontmoetten de twee vrienden elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend elkander in de vermomming.