WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 8: VIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

VIII.

Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed, ontwaakte ik met de vroege voogels.

Ik zat voor mijn oopen venster, met een versche krans op mijn los haar.

De jonge reiziger kwam den weg af in de roze morgenneevel.

Een paerelsnoer was om zijn hals en de zonnestralen vielen op zijn kruin.

Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij met een greetigen uitroep: „Waar is zij?”

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik.”

Het scheemerde en de lamp brandde niet.

Lusteloos vlechtte ik mijn haren.

De jonge reiziger kwam op zijn wagen in den gloed der ondergaande zon.

De paarden schuimbekten en er was stof op zijn gewaad.

Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met vermoeide stem: „Waar is zij?”

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik.”

Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in mijn kamer.

Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke papagaai slaapt in zijn kooi.

Mijn keurs heeft de kleur van een paauwehals, mijn mantel is groen als jong gras.

Ik zit op den vloer bij ’t venster en let op de verlaten straat.

Door den donkeren nacht blijf ik neurieën: „Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik.”