WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 81: LXXXI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXXI.

Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn oor, O Dood, mijn Dood?

Als de bloemen zich neigen in den avondstond, en het vee terugkeert tot zijn stallen, dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en fluistert woorden die ik niet versta.

Moet gij mij aldus werven en winnen met het heulsap van droomerig gemurmel en koude kussen, O Dood, mijn Dood?

Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij onze bruiloft?

Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet opbinden met een krans?

Zal niemand uw banier voor u uitdragen, en zal de nacht niet in gloed staan door uw roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?

Kom met klinkende kinkhoorns, kom in den slapeloozen nacht.

Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp mijn hand en neem mij.

Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur, met ongeduldig hinnikende paarden.

Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in ’t gelaat, O Dood, mijn Dood.